RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 24/4247 en AMS 25/1956 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaken tussen [eiser] te [woonplaats] , eiser wettelijk vertegenwoordigd door [WVT] , (gemachtigden: mr. C. Dol en [gemachtigde] ) en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna: het college) (gemachtigde: mr. J.C. Smit) Inleiding 1.
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag voor een pgb voor ambulante jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, in de vorm van niet-professionele inzet van zijn moeder als zorgverlener. 1.
- Het college heeft met het primaire besluit van 1 februari 2024 een pgb toegekend over de periode van 22 september 2023 tot en met 31 januari 2025, voor 16 uur en 30 minuten per week, nadat eiser had verzocht om 24 uur per week (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit I) is het college bij het toegekende aantal uur gebleven. Het college heeft de ingangsdatum van het pgb wel gewijzigd en vastgesteld op 31 juli
- Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.
- Het college heeft op 6 februari 2025 een primair besluit genomen over de periode vanaf 1 februari 2025 (het bestreden besluit II). Eiser heeft tegen het bestreden besluit II een bezwaarschrift ingediend dat op grond van artikel 7:1a van de Awb als rechtstreeks beroep wordt aangemerkt. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [de persoon] . Beoordeling door de rechtbank Wat voeren partijen aan? 2.
- Eiser (zeven jaar) lijdt aan Becker spierdystrofie. Daarnaast is er sprake van achterlopende ontwikkeling en gedragsproblematiek. Er wordt vermoed dat sprake is van autisme, eiser is echter nog te jong om dit te kunnen vaststellen. Zijn moeder, tevens wettelijk vertegenwoordiger, zorgt voor hem. De vader van eiser woont in Turkije. 2.
- Volgens de aan het primaire besluit ten grondslag liggende rapportage van het pgb-team komt eiser voor een pgb in aanmerking maar wordt deze lager ingeschat dan de verzochte 24 uur per week. Dit omdat een deel van de zorg voor eiser onder de gebruikelijke zorg valt. De bovengebruikelijke zorg wordt ingeschaald op 16,5 uur per week. 2.
- In het bestreden besluit I stelt het college zich, verwijzende naar drie uitspraken van de rechtbank Rotterdam, op het standpunt dat eisers moeder afdoende eigen mogelijkheden heeft om zelf de nodige begeleiding en hulp te bieden - ze doet dat immers al jaren en is voornemens dat te blijven doen - en dat daarom geen enkele voorziening hoeft te worden toegekend. Volgens het college brengt het verbod van reformatio in peius echter met zich mee dat de hoogte van het pgb, zoals dat in het primaire besluit is toegekend, in stand blijft. Het pgb wordt toegekend voor de periode van 31 juli 2023 tot en met 31 januari
- 2.
- Eiser voert in beroep aan dat de wijze waarop de indicatiestelling door de gemeente Amsterdam is geregeld, in strijd is met de eisen die de CRvB recent heeft gesteld. De advisering over besluitvorming, de besluitvorming zelf en de uitvoering van de besluitvorming mogen immers niet in één hand liggen. Verder richt het beroep zich tegen de conclusie van het college dat de moeder van eiser genoeg eigen mogelijkheden heeft. Tot slot wordt aangevoerd dat uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat het beleid omtrent het vaststellen van jeugdhulp niet in beleidsregels, maar in een verordening moet worden vastgelegd. Nu dat niet het geval is, kan het bestreden besluit I niet in stand blijven. 2.
- In het bestreden besluit II heeft het college een pgb toegekend van 16,5 uur per week voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 30 april 2025 en 10 uur per week voor de periode van 1 mei 2025 tot en met 31 juli
- In de toelichting bij het bestreden besluit II onder het kopje Toetsing PGB aanvraag heeft verweerder gemotiveerd dat het pgb wordt afgebouwd omdat er vanwege nieuwe inzichten en perspectieven op de Jeugdwet en de verordening van de gemeente Amsterdam, ook gekeken dient te worden naar de eigen mogelijkheden van ouders om jeugdhulp te bieden. 2.
- Eiser voert in beroep tegen het bestreden besluit II aan dat het onduidelijk is hoe het pgb-team de noodzakelijke jeugdhulp vaststelt. In zijn schrijven van 22 april 2025 stelt de gemachtigde van eiser dat het college er kennelijk van uitgaat dat zorg in natura is verstrekt door [bedrijf] . Er is echter geen enkele beschikking afgegeven waaruit volgt dat zorg in natura is geïndiceerd. Verder wordt de aanname van het college, dat de moeder van eiser over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikt, weersproken. Eiser verwijst daarbij naar de overgelegde absentielijst en brief van zijn school. Tot slot doet eiser een beroep op het onvervreemdbaar recht van zijn moeder om betaalde arbeid te verrichten, zoals verwoord in artikel 11 van het VN Vrouwenverdrag. De omvang van het geding 3.
- Op 29 mei 2024 heeft de CRvB drie uitspraken gedaan over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. De CRvB heeft in die uitspraken uiteengezet dat de Jeugdwet bepaalt dat gemeenten in hun verordening moeten regelen wat onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' wordt verstaan. 3.
- Op zitting zijn deze uitspraken besproken. Het college heeft erkend dat uit de uitspraken volgt dat de verordening die aan de bestreden besluiten I en II ten grondslag ligt niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Besproken is dat het aanpassen van de verordening naar verwachting in ieder geval tot juli 2025 op zich laat wachten. Met partijen stelt de rechtbank daarom vast dat de bestreden besluiten niet zijn gebaseerd op een deugdelijke grondslag. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen. De rechtbank hoeft de overige beroepsgronden dan niet meer te bespreken. 4.
- Partijen hebben op zitting afspraken gemaakt over de omvang van het pgb in de periode waarop de bestreden besluiten betrekking hadden. De rechtbank zal deze afspraken in deze uitspraak opnemen door zelf in de zaken te voorzien. 4.
- Eiser verzoekt de rechtbank daarnaast, in het kader van de toekomstige besluitvorming, het college op te dragen gedegen en controleerbaar onderzoek te doen teneinde het recht op zorg vast te stellen, op basis van het door de CRvB geschetste stappenplan. Hierbij dient volgens eiser in een beschikking vastgelegd te worden dat zorg in natura is geïndiceerd, nu dit nog altijd niet duidelijk is. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5.
- Ten aanzien van de omvang van het toe te kennen pgb voorziet de rechtbank zelf in de zaken. Zij doet dat door aan eiser ondersteuning vanuit de Jeugdwet in de vorm van een pgb toe te kennen over de periode van 30 juli 2023 tot 15 november 2025, met de omvang van 25 uur per week, zoals partijen dat op zitting hebben afgesproken. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van de zitting, genoeg is om op basis van de aangepaste verordening een nieuw besluit te nemen op de door eiser inmiddels ingediende nieuwe aanvraag. Het tarief van het pgb zal, nu dit niet in geding is, conform de initiële besluiten worden vastgesteld op € 20,- per uur vanaf 30 juli 2023 en € 20,60 vanaf 1 februari 2025, vermeerderd met de in de cao overeengekomen indexering. 5.
- De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser, om aan het college op te dragen een beschikking af te geven over de zorg in natura die volgens eiser in het verleden zou zijn toegekend, buiten de omvang van het geding valt. Het geding ziet immers op het aangevraagde pgb, waar partijen inmiddels op de zitting afspraken over hebben gemaakt. Voor wat de toekomst betreft overweegt de rechtbank dat, zoals op zitting is gebleken, zeer binnenkort een nieuwe verordening in werking gaat treden die voor de toekomstige aanvragen van eiser van belang zal zijn. Bij de beoordeling daarvan dient het college het stappenplan van de CRvB toe te passen. In het bijzonder zal het college in het geval van eiser helder moeten maken waar de hulpvraag uit bestaat en welke hulp naar aard en omvang nodig is, waarbij betrokken dient te worden of, en zo ja, welke zorg in natura is geïndiceerd. Conclusie en gevolgen 6.
- De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten I en II, omdat de besluiten wegens een gebrek in de verordening niet berusten op een deugdelijke grondslag en in strijd zijn met de wet. Voor wat betreft de omvang van het toe te kennen pgb voorziet de rechtbank zelf in de zaken. 6.
- Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De kosten stelt de rechtbank vast op € 2.721,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten I en II; - herroept het primaire besluit van 1 februari 2024; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten en het herroepen primaire besluit en kent eiser een pgb toe zoals bepaald in rechtsoverweging 5.1 van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 104,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. S.D. Arnold, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus
- Griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. persoonsgebonden budget. Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:RBROT:2023:4551, 4549 en
- Centrale Raad van Beroep. ECLI:NL:CRVB:2024:
- ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:
- Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:
- Zie ECLI:NL:CRVB:2017:1477 De vergoeding is gebaseerd op de cao VVT (Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg).