RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4313 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college. Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 14 juli
- 1.
- Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Op 9 augustus 2022 heeft verzoeker een bijstandsuitkering aangevraagd bij het college. Het college heeft hier volgens eiser nooit een beslissing op genomen. Verzoeker heeft hiertegen op 14 juli 2025 een regulier beroep ingediend. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
- De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dat betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening niet alleen nodig is dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), maar ook dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
- Nu het in deze zaak gaat om een beroep niet tijdig beslissen, een andere procedure dan een reguliere beroepsprocedure, voldoet het beroepschrift van verzoeker niet. Met de brief van 31 juli 2025 is verzoeker erop gewezen dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift worden gesteld. Verzoeker is in de brief verzocht een kopie van het beroepschrift voor het beroep niet tijdig beslissen toe te sturen. Verzoeker is verzocht om binnen één week na de datum van verzending van die brief dit verzuim te herstellen. Verder is in de brief expliciet vermeld dat het niet toesturen van het gevraagde stuk kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Na het verstrijken van de termijn heeft de rechtbank geen kopie ontvangen. Op 4 augustus 2025 is verzoeker nogmaals een termijn van een week geboden om het verzoekschrift aan te vullen.
- De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker niet binnen de hersteltermijn een kopie van het beroepschrift voor het beroep niet tijdig beslissen heeft toegestuurd. De nadere stukken die zijn ingediend zijn geen stukken waaruit de formele connexiteit blijkt. Zo heeft verzoeker een artikel uit het [krant] met als titel “Geen woningbouw op [locatie] , gemeente wil wel investeren om het open te stellen”, een brief van de gemeente Amsterdam waarin een briefadres wordt toegekend en twee brieven waarin een contactverbod wordt opgelegd overgelegd. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 september
- griffier voorzieningenrechter (de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen) Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.