RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11808882 \ KK EXPL 25-483 Vonnis in kort geding van 29 augustus 2025 in de zaak van BEAUFIN B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], gevestigd te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: de bewindvoerder, gemachtigde: mr. M.G. Niens en mr. W. Albers tegen WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Eigen Haard, gemachtigde: mr. J.P. van Oudenhoven. 1De procedure 1.1. Bij dagvaarding van 25 juli 2025, met producties heeft de bewindvoerder een voorziening gevorderd. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025. De bewindvoerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam 1] , bijgestaan door mr. W. Albers. Tevens was [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) aanwezig. Namens Eigen Haard was [naam 2] (medewerker rechtmatig wonen) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen één productie in het geding gebracht. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, waarbij Eigen Haard gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 17 december 2020 de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] wegens verkwisting/het hebben van problematische schulden onder bewind gesteld en BeauFin B.V. tot bewindvoerder benoemd. 2.2. Eigen Haard heeft op 14 september 2010 een huurovereenkomst met [betrokkene] gesloten met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] (hierna: de woning). 2.3. Bij dagvaarding van 10 februari 2025 heeft Eigen Haard een bodemprocedure tegen de bewindvoerder aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer 11551522 CV EXPL 25-3267), waarin zij – voor zover relevant in dit geschil – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft gevorderd. De zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. De bewindvoerder is in die procedure verschenen en heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2025 de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toegewezen (hierna: het bodemvonnis). De kantonrechter heeft deze beslissing – gemotiveerd – uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.4. Op 12 mei 2025 heeft Eigen Haard gemeld dat de ontruiming op 5 augustus 2025 zal plaatsvinden. Deze ontruiming heeft Eigen Haard uiteindelijk niet doorgezet, in afwachting van de uitkomst van dit geschil. 2.5. De bewindvoerder kan zich niet vinden in de beslissing van de kantonrechter en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. 3Het geschil 3.1. De bewindvoerder vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk bij voorraad: primair staking van de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 2 mei 2025 uitgesproken ontruiming; subsidiair schorsing van de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 2 mei 2025 uitgesproken ontruiming, totdat op het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep zal zijn beslist; meer subsidiair schorsing van de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 2 mei 2025 uitgesproken ontruiming, tot een moment waarop voor [betrokkene] passende vervangende woonruimte met zorgondersteuning is geregeld; en veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten. 3.2. De bewindvoerder legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het belang van [betrokkene] tot behoud van de woning in dit geval zwaarder weegt dan de belangen van Eigen Haard. Door de ontruiming zou [betrokkene] op straat komen te staan en [betrokkene] kan niet bij familie terecht. Gelet op de medische situatie van [betrokkene] is het niet verantwoord als hij dakloos wordt. Het is (nog) niet gelukt om passende woonruimte met de juiste zorg te vinden voor [betrokkene] , mede wegens de lange wachttijd hiervoor. Daarnaast zou ontruiming van de woning een acute en levensbedreigende noodtoestand voor [betrokkene] veroorzaken. Hiermee maakt Eigen Haard misbruik van haar bevoegdheid door het bodemvonnis te executeren. 3.3. Eigen Haard voert verweer. Eigen Haard concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de bewindvoerder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de bewindvoerder, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure. 3.4. Eigen Haard stelt dat er in dit geding geen ruimte meer is voor een nieuwe belangenafweging, nu de kantonrechter de uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft gemotiveerd en er geen sprake is van feiten of omstandigheden die niet zijn meegewogen bij het oordeel van de bodemrechter. De slechte gezondheid van [betrokkene] kan niet als nieuw feit worden aangemerkt, nu deze uitgebreid aan bod is gekomen in de bodemprocedure. Dat de noodtoestand voor [betrokkene] zou ontstaan bij ontruiming van de woning, heeft de bodemrechter meegenomen in haar belangenafweging. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In deze zaak gaat het om de vraag of de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis, wat betreft de ontruiming, moet worden gestaakt, dan wel geschorst totdat door het gerechtshof Amsterdam is beslist op het ingestelde hoger beroep. Het juridisch kader 4.2. De kantonrechter begrijpt het standpunt van de bewindvoerder ten aanzien van het juridisch kader aldus dat nu er sprake is een ingesteld hoger beroep, een minder strenge maatstaf geldt. De maatstaf die moet worden gehanteerd is dat de bewindvoerder een belang moet hebben bij het door hem gevorderde en dat de belangen van partijen dienen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval, aldus de bewindvoerder. In dit executiegeschil zou een nieuwe belangenafweging dienen plaats te vinden, nu het verhoogde risico op een herseninfarct voor [betrokkene] indien hij op straat zou komen te staan, in het bodemvonnis niet in de belangafweging is meegenomen. Eigen Haard stelt dat, nu in het bodemvonnis reeds een belangenafweging heeft plaatsgevonden, de uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarin is gemotiveerd en geen sprake is van een nieuw feit, in dit executiegeschil geen ruimte bestaat voor een nieuwe belangenafweging. 4.3. De kantonrechter overweegt het volgende ten aanzien van het juridisch kader. De te hanteren maatstaf vloeit voort uit het arrest van 20 december 2019 van de Hoge Raad (het zgn. Zeester-arrest, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. 4.4. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.