RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2442 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] (Polen), eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Inleiding
- Eiseres woont in Polen. Op 17 december 2019 heeft zij een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het UWV een medisch onderzoek verricht. In het rapport van 6 april 2020 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiseres op een spreekuur moet worden gezien.
- Het UWV heeft eiseres vervolgens verschillende keren opgeroepen om op een spreekuur in Nederland te verschijnen. Eiseres heeft hier geen gehoor aan gegeven, omdat zij vindt dat ze niet naar Nederland kan afreizen.
- Op 29 juni 2022 heeft het UWV de aanvraag van eiseres niet verder in behandeling genomen, omdat zij niet heeft voldaan aan de geldende voorschriften om de aanvraag te kunnen behandelen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
- Op 21 september 2022 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Uit Europese bepalingen en eerdere rechtspraak volgt namelijk dat als er discussie of onduidelijkheid bestaat over de reisvaardigheid van een verzekerde, het orgaan van het land van verblijf een medisch onderzoek uitvoert om de reisvaardigheid te beoordelen.
- Op 29 september 2022 heeft het UWV het Centrala Zakładu Ubezpieczeń Społecznych (hierna: ZUS) in Warschau gevraagd de reisvaardigheid van eiseres te beoordelen.
- Een arts van ZUS heeft geconcludeerd dat eiseres met begeleiding met de auto, bus, trein en vliegtuig kan reizen. Het UWV heeft eiseres vervolgens opnieuw opgeroepen voor een onderzoek in Nederland. Het UWV heeft eiseres verzocht aan te geven hoe zij naar Nederland wil afreizen en waar zij wil verblijven. Eiseres heeft ook hier geen gehoor aan gegeven.
- Het UWV heeft in het besluit van 25 oktober 2023 vervolgens opnieuw besloten om de aanvraag van eiseres niet verder te behandelen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
- Op 22 maart 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
- De rechtbank heeft beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.Het standpunt van eiseres
- Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV haar bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Daarnaast heeft het UWV de hoorplicht geschonden, aangezien zij eiseres in bezwaar niet heeft gehoord. Eiseres is van mening dat zij niet in staat is om naar Nederland af te reizen om zich te laten keuren en dat zij daarom in Polen gekeurd moet worden. Eiseres heeft haar standpunt onderbouwd met medische stukken. De beoordeling van de rechtbank Hoorplicht
- Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens vaste rechtspraak moeten de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief worden gehanteerd, wat betekent dat pas van een kennelijk ongegrond bezwaar kan worden gesproken wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is.
- De rechtbank is van oordeel dat hier in dit geval geen sprake van is. Eiseres heeft verschillende medische stukken overgelegd van haar psychiater en neurochirurg. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij deze stukken ook in de bezwaarfase heeft overgelegd. Uit deze medische stukken volgt dat zij niet in staat is om (onder begeleiding) naar Nederland te reizen. Deze conclusies staan haaks op de conclusies uit het rapport van het ZUS en de verzekeringsarts. Het feit dat het ZUS heeft geconcludeerd dat eiseres onder begeleiding kan reizen, betekent niet dat aan de medische stukken van de psychiater en de neurochirurg geen betekenis meer toekomt.
- Dit betekent dat niet kan worden gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat de bezwaren ongegrond zijn. Het UWV heeft eiseres daarom moeten horen. Door dit niet te doen, heeft het UWV de hoorplicht geschonden.
- Gelet op het bovenstaande, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het is niet mogelijk om het geschil definitief te beslechten, omdat het UWV moet bepalen of eiseres naar Nederland kan reizen. Het UWV moet hierbij de door eiseres overgelegde medische informatie betrekken en haar horen. Het UWV moet daarom opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.Proceskosten
- Eiseres heeft de rechtbank verzocht om haar een proceskostenvergoeding toe te kennen van € 376,- voor de kosten van beëdigde vertalingen. Eiseres heeft de rechtbank verder verzocht haar een proceskostenvergoeding toe te kennen met een wegingsfactor 1,
- De gemachtigde van eiseres heeft namelijk een uitzonderlijk omvangrijk pakket aan op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen, waarvan een groot deel in een vreemde taal is opgesteld.
- De door eiseres verzochte vertaalkosten vallen niet onder artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
- Op grond van het Bpb moet bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en
- Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een zaak van bovengemiddeld gewicht, waarvoor wegingsfactor 1,5 zou moeten worden gehanteerd.
- De rechtbank stelt de door eiseres gemaakte proceskosten daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatige rechtsbijstand daarom vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt het UWV op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr.T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:957 en van 26 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1864.