← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:6785

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-193335-25 Datum uitspraak: 2 september 2025 UITSPRAAK op de vordering van 27 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2025 door Sąd Okręgowy w Przemyśl (Regional Court of Przemyśl) in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een enforceable judgement rendered by the District Court in Przemyśl of 27 March 2024, met referentie II K 111/24. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 278 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de verdedigingsrechten van opgeëiste persoon in het kader van artikel 6 EVRM (de rechtbank begrijpt: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – hierna: ‘Handvest’) zijn geschonden. De opgeëiste persoon heeft wel een advocaat gehad, maar die was niet de advocaat die hem ter zitting zou hebben vertegenwoordigd, zoals blijkt uit de stukken van het EAB en de aanvullende informatie. Ook kan niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de Poolse autoriteiten, omdat niet kan worden vastgesteld dat een adresinstructie aan de opgeëiste persoon is gegeven. Dit betekent dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, gelet op hetgeen is aangevoerd, de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank, op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing, omdat de situatie zich voordoet zoals beschreven in artikel 12, onder b, OLW. Uit de aanvullende informatie van 23 juli 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gehad en dat deze defense counsel aan een andere advocaat subsitutional power of attorney heeft gegeven om ter zitting de verdediging te voeren. Deze andere advocaat heeft ook daadwerkelijk de verdediging ter zitting gevoerd. Verder heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gehad en is hij op 7 maart 2024 geschorst met kennisgeving van de zitting. Oordeel van de rechtbank Het verweer van de opgeëiste persoon komt er kort gezegd op neer dat zijn verdedigingsrechten zijn geschonden. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich echter de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW voor waardoor de rechtbank de overlevering niet mag weigeren. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. In het EAB onder rubriek

  1. d)is het volgende weergegeven: c. being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsel for at the trial. Uit de aanvullende informatie van 23 juli 2025 blijkt verder het volgende (voor zover van belang): (…) In the criminal case no. II K 111/24, [opgeëiste persoon] appointed Mr Alexander Stan­Otasevici from the Law Office based in Sosnowiec, [adres], as his defence counsel. The counsel was duly notified of the date of the hearing at which the Court rendered its judgment against [opgeëiste persoon] (power of attorney - case file sheets: 606-608 volume IV). (…) The defence counsel did not attend the court hearing, but granted a substitutional power of attorney (…) to attorney-at-law Małgorzata Kusy, who attended the hearing on 27.03.2024 and represented the convicted person in the course of the hearing. (…) On 22.02.2024, it was recorded in the interview record (…) that while being interrogated as a suspect, [opgeëiste persoon] - in the presence of his defence counsel Alexander Stan-Otasevici and the Romanian interpreter [persoon]· ­ consented to the imposition of a sentence of 1 year and 6 months of deprivation of liberty. (…) Op grond van de aanvullende informatie van 23 juli 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij door een door hem zelf benoemde advocaat is vertegenwoordigd. De rechtbank leidt uit onderdeel
  2. d)van het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie, verder af dat de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Het verweer van de opgeëiste persoon biedt geen aanknopingspunten om aan deze informatie te twijfelen. Uit de verstrekte informatie blijkt voorts dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat een andere advocaat heeft gemachtigd om de verdediging van de opgeëiste persoon te voeren en dat die advocaat daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon ter zitting heeft gevoerd. Volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank strekt een door een opgeëiste persoon verleende machtiging aan zijn advocaat om hem op zitting te vertegenwoordigen, zich in beginsel ook uit over eventuele plaatsvervangers of waarnemers van die advocaat. Een dergelijke situatie staat dan ook niet aan het oordeel in de weg dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Nu de omstandigheid zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet, zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet geschonden en zal de rechtbank ook het subsidiair gevoerde aanhoudingsverweer verwerpen. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Medeplegen van opzetwitwassen. 5Artikel 11 OLW 5.1 Detentieomstandigheden in Polen Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW in verband met de detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon na overlevering zal worden blootgesteld. Zij heeft in dit verband gewezen op de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon tijdens zijn voorarrest gedetineerd heeft gezeten en op een uitspraak van deze rechtbank ten aanzien van het Poolse remand regime. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen reëel gevaar is dat gedetineerden in Polen die een vrijheidsstraf moeten uitzitten aan een onmenselijke en vernederende behandeling worden blootgesteld. De door de raadsvrouw genoemde informatie heeft betrekking op het remand regime in Polen en ziet niet op de situatie waarin de opgeëiste persoon, die een vrijheidsstraf moet uitzitten, na zijn overlevering gedetineerd zal raken. Oordeel van de rechtbank Zoals eerder geoordeeld heeft de rechtbank geen algemeen reëel gevaar aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overlegd op grond waarvan een dergelijk gevaar thans wel zou kunnen worden aangenomen. Evenmin is onderbouwd dat personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, aan dezelfde omstandigheden worden onderworpen als in een remand regime. 5.2 Artikel 47 Handvest De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.3 Conclusie Artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. De rechtbank ziet, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, evenmin aanleiding om de behandeling aan te houden teneinde nadere vragen te stellen. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 en 420bis Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Przemyśl (Regional Court of Przemyśl), Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  3. e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. A.K. Glerum en D.L.S. Ceulen, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M.C. Hooibrink en D. Kloos, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 september 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
  4. e)van het EAB. O.a. Rb. Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4868, Rb. Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1931 en Rb. Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6496. Rb. Amsterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3043. Zie onder meer Rb. Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798, r.o. 6, Rb. Amsterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3764 en Rb. Amsterdam 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507, r.o. 7. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.