← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:6852

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/205235-25 Datum uitspraak: 11 september 2025 UITSPRAAK op de vordering van 11 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2025 door het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , thans gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Plas, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige inhechtenisneming van het Amtsgericht Düsseldorf van 27 juni 2025 met dossiernummer 154 Gs 972/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe bepleit dat het EAB niet genoegzaam is. Uit de feitomschrijving blijkt onvoldoende op welke wijze de opgeëiste persoon concreet betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten. De koppeling tussen de opgeëiste persoon en de verdenking ontbreekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van de feiten genoegzaam is, omdat het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank in de zaak waarin recent de overlevering van de broer van de opgeëiste persoon aan Duitsland is toegestaan en waarin hetzelfde verweer is gevoerd en verworpen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang. Uit de feitomschrijving in onderdeel

  1. e)van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een organisatie die als doel heeft het plegen van plofkraken op geldautomaten in Duitsland. Volgens de verdenking zou de opgeëiste persoon samen met anderen in de nacht van 7 op 8 februari 2025 in Eisenach (Duitsland) met behulp van explosieven een geldautomaat tot ontploffing hebben gebracht, waarbij een fors geldbedrag is weggenomen. Daarnaast vermeldt het EAB dat de rol van de opgeëiste persoon als “daderschap” wordt aangemerkt. Op grond van deze feitomschrijving is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon bij dit feit betrokken zou zijn geweest. Een verdere omschrijving is niet vereist, ook niet in gevallen – zoals hier aan de orde – waarin de opgeëiste persoon verklaart onschuldig te zijn. Er is sprake van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal; opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat op het feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Op 14 juli 2025 is door de leidinggevende hoofdofficier van justitie van het parket in Düsseldorf ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie afgegeven: “Uitlevering (de rechtbank begrijpt: overlevering) van de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] -1991 in [geboorteplaats] , vanuit Nederland naar Duitsland (...) Met referte aan uw schrijven per e-mail d.d. 14-07-2025 geven wij u de verzekering dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, bladzijde 27) zoals gewijzigd, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden." Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. A.K. Glerum en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 september 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
  3. e)van het EAB. Rechtbank Amsterdam 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6492 . Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.