RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/120962-24 RK nummers: 25/014382 en 25/014384 BESCHIKKING Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), domicilie kiezend op het kantoor van mr. J.C.N.T. van Haren, advocaat te Utrecht ( [adres] ), hierna te noemen: verzoeker. 1Procesgang Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 3 juni 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 6 maart 2025 tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring van de officier van justitie. Het verzoek strekt mede tot toekenning van vergoeding ten laste van de Staat voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift. De rechtbank heeft op 11 september 2025 verzoekers raadsman, mr. J.C.N.T. van Haren, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord. De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk. 2Voorgeschiedenis De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: - Op 9 april 2024 is door het Gerechtshof te Wrocław, Polen, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Polen, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek; - Op 11 april 2024 is verzoeker (voorlopig) aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB; - Op vordering van de officier van justitie van 1 mei 2024 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 5 juni 2024, 23 juli 2024, 27 augustus 2024, 1 oktober 2024, 31 oktober 2024, 4 december 2024, 21 januari 2025 en 6 maart 2025; - Op 23 augustus 2024 is de overleveringsdetentie van verzoeker door de rechtbank opgeheven; - Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025 is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. 3Verzoeken De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van - € 13.560 € 13.560 voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd: 2 dagen politiebureau: 2 x € 130,- = € 260 133 dagen Huis van Bewaring 133 x € 100,- = € 13.300 - € 340 € 340 voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt. De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat in zijn overleveringszaak de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard. Deze niet-ontvankelijkheidsverklaring is gelijk te stellen met een weigering, aangezien de Poolse rechtszaak, waarvoor de overlevering werd verzocht, is geseponeerd. 4Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich in eerste instantie verzet tegen toewijzing van de schadevergoeding. Na informatie uit Polen, waaruit blijkt dat de Poolse rechtszaak is geseponeerd en de periode dat verzoeker in Nederlandse overleveringsdetentie heeft gezeten daarom niet kan worden gecompenseerd, heeft de officier van justitie een gewijzigd standpunt ingenomen. De officier van justitie heeft zich niet langer verzet tegen toewijzing van de schadevergoeding, met dien verstande dat dit een bedrag van €13.530,- moet zijn. Ter zitting heeft de officier van justitie het opnieuw gewijzigde standpunt ingenomen dat primair de niet-ontvankelijkheidsverklaring in de overleveringsprocedure niet gelijk te stellen is met een weigering en daarom het verzoek alsnog moet worden afgewezen. Subsidiair kan de schadevergoeding voor de overleveringsdetentie tot een bedrag van €13.530,- worden toegewezen. 5Toetsingskader Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW. Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. 6Oordeel van de rechtbank De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.