vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11635556 CV EXPL 25-5518 vonnis van: 23 september 2025 fno.: 561 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam gevestigd te Amsterdam eiseres in de hoofdzaak en in het incident gemachtigde: mr. N.E.V. van Nispen tot Sevenaer-Berger rolgemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer t e g e n 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats 1] gemachtigde: mr. J. Groenewoud 3. [gedaagde 3] 4. [gedaagde 4] B.V. beide wonende respectievelijk gevestigd te [woonplaats 2] gemachtigde: mr. J.G. Kabalt gedaagden in de hoofdzaak en verweerders in het incident Eiseres wordt hierna genoemd: de gemeente Amsterdam. Gedaagden worden hierna genoemd: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] respectievelijk [gedaagde 4] . VERLOOP VAN DE PROCEDURE - dagvaarding van 31 maart 2025, tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, met producties;- conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; - conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ;- instructievonnis;- dagbepaling mondelinge behandeling in het incident; - voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediende nadere producties van de gemeente Amsterdam; - voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediende nadere producties van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . De mondelinge behandeling in het incident heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Voor de gemeente Amsterdam zijn verschenen [naam 1] (omgevingsmanager), [naam 2] (projectmanager) en [naam 3] (asset manager), bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [gedaagde 3] is in persoon verschenen, zowel voor zichzelf als in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van [gedaagde 4] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, alle aan de hand van pleitnotities, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis in het incident gevraagd en is een datum voor vonnis in het incident bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. De gemeente Amsterdam verhuurt, door middel van opvolgende tijdelijke huurovereenkomsten, een stuk grond op [de locatie] ( [adres] ) aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , de rechtsopvolgers van mevrouw [erflaatster] door erfopvolging in 2015. Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt voor de exploitatie van een poffertjeskraam. Sedert 1975 is het gehuurde stuk grond in de familie. 1.2. In 1988 heeft de toenmalige huurder van de grond, de heer [toenmalige huurder] , op het gehuurde stuk grond een paviljoen/poffertjeskraam neergezet met de naam [poffertjeskraam] . Voor de bouw van dit paviljoen is op 15 maart 1988 een aanvraag voor een bouwvergunning gedaan bij de gemeente Amsterdam door [toenmalige huurder] . Deze was op dat moment al begonnen met de bouw, maar de bouw werd na inspectie van een bouwinspecteur op 11 maart 1988 stilgelegd toen bleek dat er geen bouwaanvraag was gedaan. Een bouwvergunning is nooit op de aanvraag verleend. In een interne notitie van de gemeente Amsterdam uit 1996 is daarover vermeld dat het paviljoen niet is vergund (in verband met het bestemmingsplan), maar wordt gedoogd. 1.3. Op 2 februari 2005 heeft [erflaatster] als verhuurder een overeenkomst gesloten met [gedaagde 3] als huurder. De overeenkomst is aangeduid als ‘huurovereenkomst [poffertjeskraam] ’. Hierin is bepaald: “Artikel 1. 1. De verhuurder verhuurt aan de huurder, die die huurt van verhuurder: de vaste activa met inbegrip van de goodwill en de handelsnaam van de onderneming van de verhuurder. Artikel 2. (…) 3. De overeenkomst kan direct worden beëindigd indien op grond van een gemeentelijk of overheidsbesluit de onderneming gedwongen wordt te sluiten (hieronder wordt ook verstaan ontruiming als gevolg van het aanleggen van de noord-zuidverbinding in Amsterdam), indien de oorzaak van de sluiting niet te wijten is aan de gedragingen van de huurder.” 1.4. De laatste huurovereenkomst tussen de gemeente Amsterdam en [erflaatster] dateert van 11 november 2010. Deze overeenkomst is aangeduid als ‘huurovereenkomst onbebouwde grond’ en bevat de volgende bepalingen: “Duur, verlenging en opzegging 3.1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar, ingaande op 1 januari 2011 en eindigend op 31 december 2011. 3.2. Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor de duur van telkens één maand. 3.3. Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van de huurperiode met inachtneming van een termijn van ten minste één maand. (…) Bijzondere bepalingen 6.1. Het is huurder bekend dat de mogelijkheid bestaat dat de Gemeente in verband met de uitvoering van ruimtelijke plannen, waaronder (dus niet uitsluitend) de aanleg van de Noord-Zuidlijn, over de grond moet beschikken en dat deze huurovereenkomst derhalve een tijdelijk karakter heeft. 6.3. Het is huurder toegestaan om het gehuurde gedurende de looptijd van de huurovereenkomst onder te verhuren aan de heer [gedaagde 3] ten behoeve van de exploitatie van een poffertjeskraam en overigens conform de voorwaarden zoals die zijn neergelegd in deze huurovereenkomst. 6.4. Het is huurder en onderhuurder bekend dat de looptijd van deze huurovereenkomst tevens is gekoppeld aan de geldigheidsduur van de aan de onderhuurder verleende exploitatievergunning voor het horecabedrijf gelegen aan het [adres] .” 1.5. In 2015 is [erflaatster] overleden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als erfgenamen de huurovereenkomst met de gemeente Amsterdam voortgezet. 1.6. De gemeente Amsterdam heeft al jaren plannen om het [stadsdeel] te veranderen in een [stadspark] . In die plannen worden het [stadsdeel] en [de locatie] geheel anders ingedeeld. [poffertjeskraam] past niet in die plannen. In 2018 heeft het College van B & W ingestemd met het principebesluit van [stadsdeel] naar [stadspark] . Door andere prioriteiten heeft de uitvoering van de plannen voor het [stadsdeel] vanaf 2019 echter vertraging opgelopen. Besloten werd de plannen gefaseerd in te voeren. 1.7. [poffertjeskraam] wordt thans geëxploiteerd door de besloten vennootschap [gedaagde 4] , waarvan [gedaagde 3] de (middelijk) bestuurder is. De gemeente Amsterdam heeft [gedaagde 4] daarvoor laatstelijk bij besluit van 2 december 2020 een exploitatievergunning afgegeven met een looptijd van vijf jaar. Daarin is vermeld: “Op 11 september 2018 heeft het College (…) ingestemd met het principebesluit om het [stadsdeel] in fases te gaan inrichten als [stadspark] . (…) Uw restaurant past niet in deze ontwikkeling. Voor u betekent dit dat u deze exploitatievergunning mogelijk niet voor de volledige looptijd kan benutten, omdat er met de realisatie van het [stadspark] zal worden gestart.” 1.8. Op 22 juni 2022 heeft de gemeente Amsterdam met [gedaagde 3] overleg gevoerd over de voortgang van de plannen. In het gespreksverslag van 12 juli 2022 is daarover vermeld: “Planning werkzaamheden Deze zomer wordt gewerkt aan een Definitief Ontwerp voor het [stadspark] . Zoals jullie bekend is er in dit nieuwe ontwerp geen plek meer voor [poffertjeskraam] . (…) Het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer het nieuwe gebouw kan worden geplaatst. Wij verwachten dat dit niet in 2023 zal zijn. Dit betekent dan ook dat [poffertjeskraam] in ieder geval nog in 2023 kan blijven staan. (…) Opzeggen huur De gemeente zal tenminste 1 jaar van te voren de huur opzeggen, zodat jullie de tijd hebben om andere plannen te maken. Jullie gaven aan hier nu ook al over na te denken. (…)” 1.9. Bij e-mail van 20 juli 2022 heeft [gedaagde 2] aan de gemeente Amsterdam bericht dat [gedaagde 1] en hij van “de bedrijfsleider van [poffertjeskraam] , [gedaagde 3]” hebben vernomen dat de gemeente Amsterdam contact met [gedaagde 3] had opgenomen over de stand van zaken en de toekomst van [poffertjeskraam] . [gedaagde 2] schrijft: “Dit hoort natuurlijk niet zo te zijn aangezien hij niet de eigenaar is en hij verder ook niet ingelicht dient te worden, zeker niet voordat wij ingelicht worden.” Sindsdien heeft de gemeente Amsterdam met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gecommuniceerd over zaken aangaande de huurovereenkomst van de grond. 1.10. Na een participatietraject heeft het dagelijks bestuur van Stadsdeel Centrum op 30 januari 2024 het definitieve ontwerp voor [de locatie] vastgesteld. In die plannen is geen plaats voor [poffertjeskraam] . Onderdeel van het definitieve ontwerp, dat gericht is op ruimtelijke verbetering en een open karakter als landschappelijk park, is dat het speeltuingebouw dat voorheen in de zuidoostelijke hoek van [de locatie] was gelegen verhuist naar een andere plek, namelijk (deels) de huidige locatie van [poffertjeskraam] . Voorts biedt het bestemmingsplan geen ruimte voor zelfstandige commerciële horeca. 1.11. Partijen hebben overlegd over een minnelijke regeling, zonder succes. 1.12. Bij aangetekende brief van 27 augustus 2024 aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] heeft de gemeente Amsterdam de huurovereenkomst betreffende de grond opgezegd per 31 januari 2025, onder verwijzing naar de plannen met het [stadsdeel] waarin geen plek is voor [poffertjeskraam] . Ook is de ontruiming van het gehuurde per 31 januari 2025 aangezegd. 1.13. Ook daarna hebben partijen nog overlegd over een minnelijke regeling, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. 1.14. De gemeente Amsterdam is begonnen met de werkzaamheden aan het [stadsdeel] . Fase 1, met voorbereidende werkzaamheden zoals het rooien van beplanting, is inmiddels afgerond. Fase 2, waarin [de locatie] bouwrijp wordt gemaakt, wordt heringericht en wordt bebouwd, zou moeten beginnen in augustus 2025. De bso en voorschoolse educatie, die in het speeltuingebouw gevestigd waren, zijn in februari 2025 tijdelijk elders ondergebracht in afwachting van de nieuwbouw in het nieuwe [stadspark] . Het speeltuingebouw is al gesloopt. Vordering in het incident 2. De gemeente Amsterdam vordert in het incident – net zoals in de hoofdzaak, zij het in het incident totdat vonnis is gewezen in de hoofdzaak – , om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: a. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om het gehuurde perceel grond met al de hunnen en het hunne, gebruiksvrij en ontdaan van alle roerende en onroerende zaken en werken, waaronder paviljoen [poffertjeskraam] , op een door de kantonrechter te bepalen datum of termijn aan de gemeente Amsterdam ter beschikking te stellen en ontruimd te houden, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming; b. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen om het hiervoor bedoelde stuk grond met al de hunnen en het hunne gebruiksvrij aan de gemeente Amsterdam ter beschikking te stellen en ontruimd te houden; c. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 3. De gemeente Amsterdam stelt daartoe dat zij alleen grond verhuurt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en niet ook het daarop door de toenmalige huurder neergezette paviljoen. De huurovereenkomst ten aanzien van de grond met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is rechtsgeldig opgezegd. Na 31 januari 2025 gebruiken zij die grond dus zonder recht of titel. Datzelfde geldt ten aanzien van eventuele onderhuur daarvan door [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gedurende de looptijd van de hoofdhuurovereenkomst. Er is opgezegd met een ruimere opzegtermijn dan formeel vereist. Gedaagden weten ook al lang dat de gemeente Amsterdam in augustus 2025 echt over het stuk grond moest beschikken om haar renovatieplannen uit te kunnen voeren. Toch weigeren zij de grond te ontruimen. Vertraging van de renovatieplannen leidt tot aanzienlijke sociaalmaatschappelijke en financiële schade. Omdat de vordering van de gemeente Amsterdam in de hoofdzaak gelet op het voorgaande met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen, de gemeente Amsterdam grote spoed heeft bij haar vordering tot ontruiming en de uitkomst in de hoofdzaak niet kan afwachten, vordert zij bij wijze van voorlopige voorziening kort gezegd de algehele ontruiming van de gemeentegrond, onder gebruiksvrije oplevering na verwijdering van alle zaken waaronder [poffertjeskraam] , en dit alles uitvoerbaar bij voorraad. Verweer in het incident 4. Zowel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren verweer tegen de incidente vordering. Daarop zal hieronder, voor zover voor de beoordeling relevant, worden ingegaan. Beoordeling in het incident 5. In dit vonnis wordt enkel beslist in het incident ex artikel 223 Rv. Op grond van dat artikel kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Deze vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. 6. Niet in geschil is dat sprake is van een aanhangig geding en dat de vordering in het incident samenhangt met de hoofdvordering. De gevraagde voorziening is voorts gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige procedure kan worden getroffen. In zoverre kan eiseres worden ontvangen in haar incidentele vordering. 7. De kantonrechter moet in het kader van de vraag of er ook aanleiding is om de gevraagde voorziening te treffen, beoordelen of de gemeente Amsterdam belang bij de vordering heeft, in die zin dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Daarbij moet de kantonrechter de belangen van partijen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de procedure en van de proceskansen daarin. Bij dat laatste moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de vorderingen van de gemeente Amsterdam in de hoofdzaak worden toegewezen. 8. De incidentele vordering is in ieder geval niet toewijsbaar jegens [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is in deze zaak in persoon gedagvaard, maar hij heeft terecht aangevoerd dat hij niet langer in persoon bij deze zaak betrokken is. De exploitatievergunning voor [poffertjeskraam] staat al geruime tijd niet meer op zijn naam. Na de inbreng op 21 november 2017 van zijn eenmanszaak in een besloten vennootschap is op 9 april 2020 de exploitatievergunning op naam van [gedaagde 4] overgezet. De gemeente Amsterdam heeft niet toegelicht waarom zij [gedaagde 3] desondanks in persoon heeft gedagvaard. Het enkele feit dat de onder 1.3. hierboven genoemde overeenkomst – tussen thans [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als verhuurder en [gedaagde 4] als huurder – uit 2005 (nog) op naam van [gedaagde 3] staat is gelet op het voorgaande daartoe onvoldoende. De vordering jegens [gedaagde 3] wordt dus afgewezen en de gemeente Amsterdam zal in zoverre in de proceskosten in het incident worden veroordeeld, die aan de zijde van [gedaagde 3] worden begroot op nihil. 9. In het kader van de hiervoor onder 7. bedoelde beoordeling is in de eerste plaats in geschil of de gemeente Amsterdam de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd. Daarbij verschillen partijen van mening over de vraag welk huurrechtelijk regime op de huurovereenkomst van toepassing is. Volgens de gemeente Amsterdam is sprake van de huur van onbebouwde grond. Volgens zowel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgens [gedaagde 4] is sprake van huur van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 10. De kantonrechter volgt gedaagden daarin niet. Redengevend is het volgende. 11. De laatste schriftelijke huurovereenkomst die voorhanden is, is de onder 1.2. vermelde overeenkomst. Daarin is duidelijk sprake van de huur van onbebouwde grond. De kantonrechter houdt het er voor dat de gemeente Amsterdam al sinds 1988 of eerder, zoals zij stelt, het bewuste perceel grond verhuurt aan de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Dat blijkt uit het feit dat in 1988, vóórdat een aanvraag om een bouwvergunning is gedaan voor het huidige paviljoen, de bouw daarvan al was begonnen door de toenmalige ‘pachter’ tevens eigenaar van ‘het gebouw’, [toenmalige huurder] . De bouw werd immers stilgelegd. Dit impliceert dat op dat moment de grond al door [toenmalige huurder] gehuurd werd. Het is immers niet voorstelbaar dat ‘zomaar’ een bouwwerk geplaatst zou worden op ‘zomaar’ een stuk grond midden in de stad. Daaruit blijkt bovendien dat, anders dan [gedaagde 4] heeft aangevoerd, het te bouwen bouwwerk ( [poffertjeskraam] ) er toen de huurovereenkomst gesloten werd nog niet stond en er dus enkel grond gehuurd werd. Dit volgt ook uit een interview met [gedaagde 3] in het Parool van [datum] 2020 waarin staat: “In 1975, het jaar dat Amsterdam het 700-jarig jubileum vierde, begon [de vader van gedaagde 3] opnieuw een poffertjeskraam op het [stadsdeel] . Het was een houten, verplaatsbaar gebouwtje (…). In 1988 maakte de poffertjeskraam plaats voor het huidige pannenkoekenrestaurant [poffertjeskraam] . “Het is sindsdien steeds in handen van onze familie gebleven (…) vertelt [gedaagde 3] (…).”.” Bij aanvang van de huur was dus geen sprake van verhuur van grond met daarop het paviljoen ‘ [poffertjeskraam] ’. 12. Dat dit paviljoen, met een horecabestemming, op het gehuurde stuk grond is geplaatst, en dat het gehuurde stuk grond blijkens de huurovereenkomst ook voor de exploitatie van een poffertjeskraam bestemd was, maakt nog niet dat daarmee sprake is geworden van huur van bedrijfsruimte. Voorop staat immers dat bij aanvang van de verhuur aan de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sprake was van de huur van onbebouwde grond. Niet is gebleken dat partijen bedoeld hebben bebouwde grond of een gebouw van de gemeente Amsterdam te huren. Ook de laatste, steeds tijdelijk verlengde, huurovereenkomst van 11 november 2020 wordt uitdrukkelijk aangeduid als ‘huurovereenkomst onbebouwde grond’. De daarin genoemde huurprijs van € 24.000,00 op jaarbasis (in 2025 € 33.105,72 ofwel circa € 110,00 per m²) is tevens een indicatie dat de huur uitsluitend de grond betreft. Immers, uit de door [gedaagde 4] overgelegde winst- en verliesrekening volgt dat in 2024 voor het “pand” een huur van € 108.000,00 (ofwel circa € 360,00 per m²) betaald werd. Dat het paviljoen geen deel uitmaakte van het gehuurde wordt eveneens bevestigd door het onweersproken feit dat de opvolgende huurders de gemeente Amsterdam sedert 1988 nooit als eigenaar daarvan hebben aangesproken, bijvoorbeeld voor kosten, onderhoud of gebreken aan het paviljoen. 13. Dat de gemeente Amsterdam later aan haar huurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.