RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 23/6771 V-nummer: 273.192.0603 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1993, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. M.G.C. van Riet), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn verzoek tot naturalisatie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Eiser heeft op 24 november 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft op 8 april 2025 het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de heer V. Bolt als tolk in de Engelse taal. Verweerder is niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het verzoek tot naturalisatie heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het bestreden besluit
- Verweerder heeft het naturalisatieverzoek van eiser van 6 januari 2023 afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Uit informatie van de Justitiële Documentatiedienst blijkt dat eiser korter dan vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot naturalisatie is veroordeeld tot een geldboete van € 1000,- waarvan € 500 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd loopt van 9 september 2021 (datum dat het vonnis van 25 augustus 2021 van de politierechter onherroepelijk is geworden) tot 8 september
- Ten tijde van het primaire besluit was de proeftijd nog niet voorbij. De rehabilitatietermijn loopt in dit geval van 9 september 2021 tot en met 9 september
- Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om toch tot naturalisatie over te gaan. Eiser is in de gelegenheid gesteld om bijzondere omstandigheden aan te voeren, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Er is daarom geen reden om af te wijken van het in de Handleiding neergelegde beleid. Het standpunt van eiser
- Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het beleid in de Handleiding onjuist heeft toegepast. Eiser is namelijk veroordeeld tot een deels voorwaardelijke geldboete. Inmiddels staat, na het vollopen van de proeftijd, vast dat eiser materieel is veroordeeld tot een geldboete van € 500,-. Deze geldboete heeft hij ook voldaan. De geldboete bedraagt minder dan de in de Handleiding genoemde grens van € 810,-. Verder is van belang dat hij niet alleen de geldboete heeft voldaan, maar ook dat hij zich tijdens de proeftijd naar behoren heeft gedragen. Dat dit zo is volgt uit het feit dat de voorwaardelijke straf niet is omgezet in een onvoorwaardelijke straf. Eiser verwijst ter vergelijking naar het openbare orde beleid van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit
- Daarin wordt alleen rekening gehouden met onvoorwaardelijke straffen. De Handleiding is daar onduidelijk over. Eiser merkt daarbij op dat hij erop mag vertrouwen dat verweerder het openbare orde beleid in verschillende situaties op gelijke wijze uitlegt. Eiser stelt daarom dat hij op het peilmoment geen gevaar was voor de openbare orde en dat verweerder zijn aanvraag om naturalisatie had moeten inwilligen. Het juridisch kader 6.
- Op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN wordt een verzoek tot naturalisatie afgewezen wanneer sprake is van ernstige vermoedens dat verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Verweerder heeft beleid geformuleerd ten aanzien van de vraag wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit beleid is neergelegd in de Handleiding. 6.
- Uit het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat verweerder het verzoek heeft afgewezen op grond van de Handleiding, paragraaf 1, onder 3, aanhef en onder c en
- Deze artikelen luiden als volgt: De naturalisatie wordt geweigerd, als:
- er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen (zie onder 4). Met sanctie wordt niet alleen bedoeld iedere straf als bedoeld in artikel 9 Wetboek van Strafrecht (bijvoorbeeld een geldboete, taak-, bijkomende of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld strafbeschikkingen of transacties (door politie of Openbaar Ministerie (OM) opgelegde boetes). Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking mogelijk. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als (c) de vreemdeling zich nog in een proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling.
- aan de vreemdeling in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Met sanctie wordt hier ook bedoeld iedere: a. vrijheidsbenemende straf of maatregel; b. taakstraf of andere straf als bedoeld in artikel 9 WvSr; c. geldboete van € 810,– of meer; d. strafbeschikking of transactie van € 810,– of meer; e. strafbeschikking, transactie of geldboete van € 405,– of meer, mits er in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop meerdere strafbeschikkingen, transacties of geldboeten van € 405,– of meer zijn uitgevaardigd, opgelegd of betaald, met een totaal van € 1.215,– of meer; Het oordeel van de rechtbank 7.
- Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. 7.
- Vaststaat dat eiser korter dan vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot naturalisatie is veroordeeld tot een geldboete van € 1000,- waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook staat vast dat ten tijde van het primaire besluit de proeftijd nog niet was verstreken en dat de rehabilitatietermijn in dit geval loopt van 9 september 2021 tot en met 9 september
- 7.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder het beleid in de Handleiding niet onjuist heeft toegepast en dat het beleid voldoende duidelijk is. Zoals in paragraaf 1 bij artikel 9 van de RWN is beschreven, is het niet van belang of een straf al dan niet voorwaardelijk is opgelegd. Ook was er sprake van een serieuze verdenking, omdat eiser zich in de proeftijd bevond. De rechtbank kan wel begrijpen dat het voor eiser, die zelf het aanvraagformulier heeft ingevuld, niet direct duidelijk was dat het voorwaardelijke gedeelte van zijn straf ook van belang was. Dit betekent echter niet dat het beleid van paragraaf 1 van het de Handleiding niet van toepassing is op eiser. De rechtbank volgt verder verweerder in zijn standpunt dat een naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure op grond van de Vreemdelingenwet 2000 verschillende procedures zijn met elk een eigen beoordelingskader. In de Handleiding is duidelijk opgenomen dat het voor naturalisatie niet van belang is of een straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om verkrijging van het Nederlanderschap terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Dit betekent overigens niet dat eiser in de toekomst niet het Nederlanderschap kan verkrijgen. Na afloop van de rehabilitatietermijn op 9 september 2026 kan eiser opnieuw vragen om verlening van het Nederlanderschap. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgenomen dat deze aanvraag zal worden ingewilligd, als eiser aan alle voorwaarden voldoet. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2194.