← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:7399

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-197197-25 (EAB 1) Datum uitspraak: 23 september 2025 UITSPRAAK op de vordering van 17 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2024 door the Regional Court of Pécs (Hongarije) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] (Hongarije), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd [detentie adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 september 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Pécs (referentie: 12.Fk.504/2021/17), onherroepelijk geworden op 8 juni

  1. De tenuitvoerlegging van de straf is bevolen door the District Court of Pécs met ref. 4.B.540/2022/52, onherroepelijk geworden op 6 februari
  2. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Hongaarse autoriteiten. Het is onduidelijk of in de tenuitvoerleggingsbeslissing de straf is gewijzigd of slechts is bekrachtigd. Daarnaast was de opgeëiste persoon minderjarig toen hij de feiten pleegde en blijkt uit het EAB niet dat hij is bijgestaan door een advocaat in de procedure terwijl dit wel een voorwaarde is die aan de lidstaten is opgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest M.S. en anderen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon bij het proces aanwezig is geweest. Ten aanzien van de minderjarigheid van de opgeëiste persoon is er geen informatie waaruit zou blijken dat hij niet door een advocaat is verdedigd bij het proces. Er dient daarom uit te worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Oordeel van de rechtbank De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing (zonder datum) van the District Court of Pécs met referentie 4.B.540/2022/52 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De reden tot tenuitvoerlegging van de straf is gelegen in een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. De strafbare feiten in kwestie betreffen de feiten gepleegd op 26 en 27 juni 2022 en de bijbehorende veroordeling in het vonnis van the District Court of Pécs met referentie 4.B.540/2022/
  3. Ten aanzien van dit vonnis is eveneens een EAB uitgevaardigd (EAB 4), ten aanzien waarvan de rechtbank heden eveneens uitspraak doet onder parketnummer 13-197181-
  4. Zoals in die uitspraak vastgesteld is artikel 12 OLW ten aanzien van dit vonnis niet van toepassing. De rechtbank stelt verder vast dat beslissing tot tenuitvoerlegging met referentie 4.B.540/2022/52 zelf geen beslissing is waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon minderjarig was ten tijde van het proces staat daarnaast niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank beschikt niet over gegevens dat in Hongarije een algemeen risico bestaat dat het recht op een eerlijk proces ten aanzien van minderjarigen wordt geschonden. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of dat recht van de opgeëiste persoon is geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank op basis van het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting van Tiszalök, gelet op de ‘ill-treatment’ van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Op 8 september 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary de volgende garantie gegeven: “(…) Depending on the phase of the criminal proceedings it cannot be determined obviously in which sentence enforcement institution the requested person will be placed, but the information regarding the guarantee shall be recorded in the registration documents (manual or electronic) of each detainee. In case the surrender of the person named in the request occurs, his placement will take place by ensuring the conditions being in line with the provisions of the European Convention on Human Rights, the United Nations Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners, and Recommendation No. R/2006/2 of the European Council on the European Prison Rules; after takeover, [opgeëiste persoon] will not be placed in the Tiszalök National Prison, he will be transported for placement to the Szombathely National Prison as soon as possible. (…)” Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande garantie van 8 september
  5. Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zo snel mogelijk vervoerd zal worden voor plaatsing in de Szombathely National Prison. De Hongaarse autoriteiten hebben gegarandeerd dat hij niet in de Tiszalök National Prison zal worden geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Pécs voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. L.F. Bögemann en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september
  6. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJEU 5 september 2024, C-603/22, M.S. e.a. ,ECLI:EU:C:2024:
  7. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)). HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt
  8. Vgl. HvJEU 5 september 2024, C-603/22, M.S. e.a. ,ECLI:EU:C:2024:685, punt
  9. ECLI:NL:RBAMS:2025:
  10. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.