RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-197181-25 (EAB 4) Datum uitspraak: 23 september 2025 UITSPRAAK op de vordering van 17 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2024 door the Regional Court of Pécs (Hongarije) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] (Hongarije), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 september 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis (zonder datum) van the District Court of Pécs (referentie: 4.B.540/2022/52), welke onherroepelijk is per 6 februari
- Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Het EAB vermeldt in dit kader dat “the time spent in custody from June 30, 2022, to September 27, 2022, be taken into account as part of the imprisonment”. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat nadere vragen gesteld moeten worden aan de Hongaarse autoriteiten. Uit het EAB blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon van 30 juni 2022 tot 27 september 2022 in voorarrest heeft vastgezeten, terwijl het vonnis pas op 6 februari 2024 onherroepelijk is geworden. Het is onduidelijk waarom er zoveel tijd tussen deze gebeurtenissen zit. Mogelijk is er sprake geweest van een procedure in hoger beroep. Daarnaast verklaart de opgeëiste persoon wel aanwezig te zijn geweest bij zittingen, maar niet meer te weten bij welke zittingen. Het verzoek is daarom om aanvullende vragen te stellen aan de Hongaarse autoriteiten om hier duidelijkheid over te krijgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon was volgens het EAB in persoon aanwezig bij het proces. De stukken geven geen aanleiding om te vernemen dat er sprake zou zijn van een procedure in hoger beroep. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB vermeldt dat de opgeëiste in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot het vonnis met referentie 4.B.540/2022/52 heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij niet meer weet bij welke zitting hij wel en niet aanwezig is geweest is te onbepaald om te twijfelen aan de informatie van de Hongaarse autoriteiten. Daarnaast zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie van de Hongaarse autoriteiten onjuist is. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 12 OLW niet aan de orde is. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is geweest van een door de Hongaarse autoriteiten onvermeld gelaten procedure in hoger beroep. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: mishandeling meermalen gepleegd. 5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank op basis van het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting van Tiszalök, gelet op de ‘ill-treatment’ van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Op 8 september 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary de volgende garantie gegeven: “(…) Depending on the phase of the criminal proceedings it cannot be determined obviously in which sentence enforcement institution the requested person will be placed, but the information regarding the guarantee shall be recorded in the registration documents (manual or electronic) of each detainee. In case the surrender of the person named in the request occurs, his placement will take place by ensuring the conditions being in line with the provisions of the European Convention on Human Rights, the United Nations Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners, and Recommendation No. R/2006/2 of the European Council on the European Prison Rules; after takeover, [de opgeëiste persoon] will not be placed in the Tiszalök National Prison, he will be transported for placement to the Szombathely National Prison as soon as possible. (…)” Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande garantie van 8 september
- Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zo snel mogelijk vervoerd zal worden voor plaatsing in de Szombathely National Prison. De Hongaarse autoriteiten hebben gegarandeerd dat hij niet in de Tiszalök National Prison zal worden geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Pécs voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. L.F. Bögemann en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2025:
- Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.