RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/764764 / HA ZA 25-523 Vonnis van 24 september 2025 in de zaak van [eiser] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. S.W. Vos, tegen UNLIMITED SPARE PARTS INTERNATIONAL B.V., gevestigd in Amsterdam,gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: UNSPI, advocaat: mr. T.S.F. Hautvast. 1De zaak in het kort 1.1. [eiser] heeft alle aandelen in twee van haar dochtervennootschappen aan (een rechtsvoorganger van) UNSPI verkocht. Daarbij is een deel van de koopsom omgezet in een lening van [eiser] aan UNSPI (Lening 1) en is een deel van de koopsom afhankelijk gesteld van de resultaten van de overgenomen vennootschappen (de Earn-out). UNSPI zou de helft van de Earn-out in cash voldoen en de andere helft zou worden omgezet in een tweede lening van [eiser] aan UNSPI (Lening 2). Lening 1 en 2 zijn achtergesteld ten opzichte van een banklening van UNSPI. De hoogte van de Earn-out is inmiddels vastgesteld en UNSPI heeft de helft van dat bedrag aan [eiser] voldaan. [eiser] vordert voor recht te verklaren dat de tweede helft van de Earn-out opeisbaar is, omdat zij vindt dat Lening 2 niet tot stand is gekomen. Ook vordert zij voor recht te verklaren dat Lening 1 opeisbaar is zodra de achterstelling niet meer van kracht is, omdat zich volgens haar opeisingsgronden hebben voorgedaan. UNSPI voert verweer en vordert in reconventie voor recht te verklaren dat [eiser] Lening 2 is aangegaan dan wel [eiser] te gebieden om dat alsnog te doen. 1.2. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Lening 1 heeft een achtergesteld karakter. Lening 2 is rechtsgeldig tot stand gekomen en heeft ook een achtergesteld karakter. Er doen zich geen opeisingsgronden voor en ook het beroep van [eiser] op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Vanwege de achterstelling kan [eiser] daarom op dit moment nog geen aanspraak maken op terugbetaling van beide leningen. De door UNSPI gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] Lening2 is aangegaan, zal worden toegewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 februari 2025; - de akte overlegging producties van [eiser] van 26 februari 2025; - de akte eiswijziging van [eiser] van 26 februari 2025; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, van 9 april 2025 met producties; - de conclusie van antwoord in reconventie van 21 mei 2025 met producties; - het tussenvonnis van 2 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken; en - de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 4 augustus 2025 die zich in het dossier bevinden. 3De feiten 3.1. [eiser] is de persoonlijke holding van de heer [naam] . 3.2. UNSPI drijft een onderneming gericht op het verhandelen, ontwerpen, produceren en slijpen van industriële messen en andere reserveonderdelen voor machines in de voedingsmiddelen- en verpakkingssector. UNSPI is opgericht door private equity investeerder NewPort met als doel om verdere consolidatie binnen dit marktsegment te bevorderen. 3.3. [eiser] hield tot 14 september 2020 alle aandelen in Delba, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht, en DT Invest, een vennootschap opgericht naar Pools recht (hierna samen: de Doelvennootschappen). De Doelvennootschappen produceren onder meer onderdelen voor machines voor de voedings- en verpakkingsindustrie, 3.4. Op 14 september 2020 heeft [eiser] alle aandelen in de Doelvennootschappen verkocht aan Mack MidCo, onder de voorwaarden opgenomen in de koopovereenkomst van die datum (de Koopovereenkomst). Mack MidCo was op dat moment een 100% dochtervennootschap van UNSPI. Van de door partijen overeengekomen koopsom van (maximaal) € 16.450.928,27 heeft [eiser] ongeveer € 7,5 miljoen bij het aangaan van de Koopovereenkomst in cash ontvangen, € 2 miljoen is geherinvesteerd in aandelen van UNSPI en € 3,5 miljoen is omgezet in een lening van [eiser] aan UNSPI (Lening 1). Het resterende deel van de koopsom van maximaal € 3 miljoen is afhankelijk gesteld van de EBITDA van Mack MidCo, de Doelvennootschappen en hun dochtervennootschappen over 2020 en 2021 (de Earn-out). Op grond van de Koopovereenkomst zou [eiser] de helft van de Earn-out, na de vaststelling ervan, in cash ontvangen en de andere helft omzetten in een tweede lening aan UNSPI (Lening 2). Een concept leningsovereenkomst voor Lening 2 is als bijlage aan de Koopovereenkomst gehecht. 3.5. UNSPI, Mack MidCo en de Doelvennootschappen hebben in het kader van de aandelentransactie gezamenlijk externe financiering aangetrokken, waaronder een lening van Rabobank van € 8,4 miljoen. Op 14 september 2020 hebben Rabobank, Mack MidCo en [eiser] een achterstellingsakte ondertekend op grond waarvan (onder andere) Lening 1 is achtergesteld ten opzichte van de lening van Rabobank (de Achterstellingsakte). Rabobank heeft Mack MidCo in deze akte toestemming gegeven om aflossingen en rente op Lening 1 te voldoen en Rabobank heeft zich daarbij het recht voorbehouden om deze toestemming in te trekken. 3.6. In de overeenkomst van Lening 1 (zie 3.4), die eveneens op 14 september 2020 is aangegaan, staat in artikel 4 over de terugbetaling onder meer het volgende: “4.1. Looptijd 4.1.1 De Lening wordt in beginsel aangegaan met een looptijd tot en met 31 december 2026, tenzij de Lening eerder wordt afgelost in overeenstemming met de bepalingen van deze Leningsovereenkomst. 4.1.2 Met inachtneming van de voorwaarden van de Achterstelling, zullen de lening, de daarover verschuldigde Rente en andere bedragen waar de Leninggever gerechtigd toe is onder deze Leningsovereenkomst (het "Uitstaande Bedrag") daarmee uiterlijk op 31 december 2026 volledig zijn terugbetaald door de Leningnemer aan de Leninggever conform het schema zoals bepaald in artikel 4.2. 4.2 Aflossing Met inachtneming van de voorwaarden van de Achterstelling, zal de Leningnemer de hoofdsom van de Lening in 17 gelijke delen ten bedrage van EUR 205,882,35 per kwartaal terugbetalen op de laatste dag van ieder kwartaal, voor het eerst op een door Leningnemer te bepalen datum doch niet later dan op 31 december 2022, en voor het laatst op 31 december 2026. Enige vervroegde aflossing doet geen afbreuk aan voorgaande aflosverplichting van EUR 205,882,35 per kwartaal.” 3.7. De concept-leningsovereenkomst van Lening 2 (zie 3.4) bevat eenzelfde artikel 4.1 en 4.2 als Lening 1, met dien verstande dat in artikel 4.2 nog geen termijnbedrag en het aantal termijnen zijn genoemd. 3.8. Op 13 augustus 2021 zijn UNSPI als verkrijgende vennootschap en (onder andere) Mack MidCo als verdwijnende vennootschap juridisch gefuseerd. Daardoor zijn de rechten en plichten van Mack MidCo onder algemene titel overgegaan op UNSPI. 3.9. UNSPI heeft [eiser] op 28 december 2021 bericht dat zij de rentebetalingen op Lening 1 tot en met 31 maart 2022 opschort. 3.10. Rabobank heeft UNSPI op 28 september 2022 bericht dat zij de door haar in de Achterstellingsakte verleende toestemming voor het betalen van rente en aflossingen op Lening 1 intrekt (de stop payment notice). UNSPI heeft [eiser] daarna van dit besluit op de hoogte gesteld. 3.11. Op 23 juni 2023 heeft een deskundige de EBITDA van Mack MidCo, de Doelvennootschappen en hun dochtervennootschappen over 2020 en 2021 vastgesteld op € 5.901.182, waardoor de Earn-out is vastgesteld op € 641.891,20. UNSPI heeft de helft van dit bedrag daarna aan [eiser] betaald. 3.12. Op 13 december 2024 heeft de advocaat van [eiser] Lening 1 namens [eiser] opgeëist en UNSPI ook gesommeerd om het tweede deel van de Earn-out te voldoen. 4Het geschil in conventie 4.1. [eiser] vordert, samengevat en na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis: I. primairvoor recht verklaart dat [eiser] opeisbaar van UNSPI te vorderen heeft een bedrag van € 320.945,10, vermeerderd met de in artikel 6:119a BW bedoelde wettelijke handelsrente daarover vanaf 17 juni 2023, subsidiair voor recht verklaart dat: a. [eiser] opeisbaar van UNSPI te vorderen heeft een bedrag van € 320.945,10, te voldoen in zestien gelijke kalenderkwartaaltermijnen, waarvan de eerste twee zijn vervallen op 17 juni 2023 en de laatste vervalt op 31 december 2026, b. [eiser] opeisbaar van UNSPI te vorderen heeft de in artikel 6:119a BW bedoelde wettelijke handelsrente over ieder van deze kwartaaltermijnen die bij het wijzen van het vonnis in deze zaak reeds zijn vervallen, telkens vanaf de eerste dag van het volgende kalenderkwartaal, c. [eiser] opeisbaar van UNSPI te vorderen heeft de overeengekomen rente van 6% per jaar over een bedrag van € 320.945,10, betaalbaar op de laatste werkdag van ieder kalenderkwartaal, voor het laatst op 31 december 2026, d. [eiser] opeisbaar van UNSPI te vorderen heeft de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente over de overeengekomen rentebedragen vanaf de eerste dag van het volgende kalenderkwartaal, II. voor recht verklaart dat Lening 1, groot € 3.500.000,-, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,5% per kalenderkwartaal, voor het eerst per 31 december 2020, waarbij de niet betaalde rente vanaf het daarop volgende kalenderkwartaal bij de hoofdsom wordt gevoegd en zelf rentedragend is, volledig opeisbaar is indien en zodra de achterstelling bij de vorderingen van Rabobank niet langer van kracht is, III. voor recht verklaart dat [eiser] opeisbaar van UNSPI heeft te vorderen (primair) een bedrag gelijk aan alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die [eiser] in verband met het behoud en de uitwinning van haar rechten onder Lening 1 heeft gemaakt en nog zal maken dan wel (subsidiair) een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, IV. UNSPI uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt in de proceskosten van [eiser] , vermeerderd met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis. 4.2. [eiser] legt aan haar primaire vordering onder I ten grondslag dat Lening 2 niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Over Lening 2 en de voorwaarden daarvan bestond in de Koopovereenkomst geen wilsovereenstemming. [eiser] heeft ook het concept van Lening 2, dat als bijlage bij de Koopovereenkomst was gevoegd, niet ondertekend. [eiser] kan niet worden verplicht om Lening 2 alsnog te verstrekken, omdat de in het concept van Lening 2 opgenomen voorwaarden niet (meer) realistisch zijn. Zij stelt bovendien dat de omstandigheden door toedoen van UNSPI en haar andere aandeelhouders inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer gevergd kan worden genoegen te nemen met het uitblijven van betaling van rente en aflossing op het tweede deel van de Earn-Out. [eiser] legt aan haar subsidiaire vordering onder I ten grondslag dat, mocht de rechtbank oordelen dat Lening 2 rechtsgeldig tot stand is gekomen of dat [eiser] verplicht is het tweede deel van de Earn-out in een lening om te zetten, deze lening direct opeisbaar is, omdat zich volgens haar meerdere opeisingsgronden voordoen. [eiser] stelt daartoe onder meer dat UNSPI haar schuldeisers heeft geïnformeerd dat zij niet in staat is aan haar verplichtingen te voldoen en dat UNSPI – in strijd met de voorwaarden van Lening 2 – nieuwe financiering heeft aangetrokken. [eiser] legt aan haar vordering onder II dezelfde opeisingsgronden ten grondslag als aan haar subsidiaire vordering onder I. 4.3. UNSPI voert verweer. Zij voert aan dat [eiser] Lening 2 bij het aangaan van de Koopovereenkomst heeft verstrekt onder de opschortende voorwaarde van vaststelling van de Earn-out, zodat Lening 2 met de vaststelling van die Earn-out rechtsgeldig tot stand is gekomen. Ook betoogt UNSPI dat de Achterstellingsakte opeising van Lening 2 verhindert en dat de door [eiser] aangevoerde opeisingsgronden zich niet hebben voorgedaan. De tweede helft van de Earn-out is volgens UNSPI dan ook nog niet opeisbaar. UNSPI stelt zich op het standpunt dat Lening 1 niet opeisbaar is, ook niet als de achterstelling ten opzichte van de lening van Rabobank niet meer van kracht zou zijn, omdat zich geen opeisingsgronden voordoen. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 4.5. UNSPI vordert samengevat dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. primairvoor recht verklaart dat Lening 2 rechtsgeldig is aangegaan door [eiser] , subsidiair [eiser] veroordeelt tot ondertekening van Lening 2 binnen twee weken vanaf de dag van het vonnis, met een last onder dwangsom van € 2.500,- met een maximum van € 150.000,- voor elke dag dat Lening 2 niet is ondertekend, II. [eiser] veroordeelt in de proceskosten van UNSPI. 4.6. UNSPI legt aan haar primaire vordering onder I ten grondslag dat [eiser] Lening 2 bij het aangaan van de Koopovereenkomst heeft verstrekt onder de opschortende voorwaarde van vaststelling van de Earn-out en dat de Earn-out inmiddels is vastgesteld, zodat Lening 2 rechtsgeldig tot stand is gekomen. Zij legt aan haar subsidiaire vordering onder I ten grondslag dat, mocht de rechtbank oordelen dat [eiser] Lening 2 niet heeft verstrekt, zij daartoe op grond van artikel 2.4 van de Koopovereenkomst alsnog verplicht is. 4.7. [eiser] voert verweer. Zij betoogt – net als in conventie – dat zij Lening 2 niet heeft verstrekt en dat ook niet meer hoeft te doen, omdat de daarin opgenomen voorwaarden niet (meer) realistisch zijn en de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat zij aan de voorwaarden van Lening 2 wordt gehouden. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie 5.1. De rechtbank moet voor vordering I van [eiser] beoordelen of de tweede helft van de Earn-out is omgezet in Lening 2 en, als dat het geval is, of de Achterstellingsakte daarop van toepassing is en of de door [eiser] aangevoerde opeisingsgronden zich hebben voorgedaan. Voor vordering II van [eiser] moet de rechtbank beoordelen of zich opeisingsgronden voor Lening 1 hebben voorgedaan. De rechtbank zal met vordering II beginnen, omdat [eiser] aan haar vorderingen onder I en II dezelfde opeisingsgronden ten grondslag heeft gelegd en het oordeel van de rechtbank daarover voor beide vorderingen van belang is. 5.2. De rechtbank zal hierna alleen de stellingen van partijen bespreken die voor de beoordeling van deze vragen relevant zijn. Hierdoor komt een deel van de door partijen aangevoerde stellingen, waaronder met name de door [eiser] gemaakte verwijten over het door NewPort gevoerde beleid over de onderneming van UNSPI, in dit vonnis niet aan bod. Vordering II: Lening 1 5.3. Partijen zijn het erover eens dat Lening 1 een achtergesteld karakter heeft en dat de achterstelling van Lening 1 ten opzichte van de lening van Rabobank aan de opeisbaarheid van Lening 1 in de weg staat zolang Rabobank geen toestemming geeft voor het aflossen van Lening 1. De advocaat van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het belang van [eiser] bij vordering II erin ligt dat [eiser] duidelijkheid wil krijgen over de aanwezigheid van de door haar gestelde opeisingsgronden met het oog op het (toekomstige) moment dat de achterstelling niet meer van kracht is. De achterstelling zal niet meer van kracht zijn wanneer de schuld aan Rabobank is afgelost of wanneer Rabobank – ondanks de achterstelling – toestemming geeft voor aflossing van Lening 1. De rechtbank zal hierna daarom beoordelen of de door [eiser] aangevoerde opeisingsgronden voor Lening 1 zich hebben voorgedaan. Doen zich opeisingsgronden voor? 5.4. [eiser] betoogt dat de opeisingsgronden van artikel 5.1 aanhef en onder (iii) en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.