← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:7548

RECHTBANK Amsterdam Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel Zaaknummer / rolnummer: C/13/765516 / KG ZA 25-146 NB/EvK Vonnis in kort geding van 7 maart 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen: [eiser 1] ,

  1. [eiser 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , hierna te noemen: [eiser 2] ,
  2. [eiser 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen: [eiser 3] ,
  3. [eiser 4], gevestigd te [vestigingsplaats 2] , hierna te noemen: [eiser 4] , eisers bij dagvaarding op verkorte termijn van 5 maart 2025, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. T. Waissi te ‘s-Hertogenbosch, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.P. Barth te Amsterdam. De zaak in het kort [eiser 1] heeft [gedaagde] benaderd om te bemiddelen bij de verkoop van één van haar bedrijfsonderdelen. Partijen hebben afspraken gemaakt over de vergoeding voor [gedaagde] voor deze bemiddeling. Nadien hebben partijen onenigheid gekregen over de hoogte van die vergoeding en wanneer die betaald moet worden. [gedaagde] heeft tot zekerheid voor het betaald krijgen van haar vergoeding conservatoire (derden)beslagen laten leggen ten laste van [eisers] . In dit kort geding vordert [eisers] opheffing van deze beslagen. De voorzieningenrechter heft met dit vonnis een deel van de beslagen op. 1De procedure 1.
  4. Ter zitting van 7 maart 2025 heeft [eisers] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. 1.
  5. Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover van belang, aanwezig: namens [eisers] : [naam 1] , directeur van [eiser 1] , en ook namens [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] op basis van een volmacht, met mr. T. Waissi, namens [gedaagde] : [naam 2] en [naam 3] , beiden mede-eigenaar en bestuurder van [gedaagde] , met mr. J.P. Barth. 1.
  6. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 7 maart 2025 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit is de uitwerking daarvan die op 21 maart 2025 is afgegeven. 2De feiten 2.
  7. [eiser 1] was tot 1 mei 2024 actief als energieleverancier op de Nederlandse markt. De bevoegde bestuurder van [eiser 1] is de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 4] is ook (indirect) bestuurder van [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 4] . De structuur kan als volgt worden weergegeven: Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd. 2.
  8. [gedaagde] is een corporate finance kantoor en zij adviseert bij aan- en verkooptrajecten van ondernemingen, bedrijfswaarderingen, kapitaalverstrekking en herstructureringen. 2.
  9. [eiser 1] heeft [gedaagde] in 2022 benaderd om te bemiddelen bij de verkoop van een bedrijfsonderdeel van [eiser 1] , bestaande uit het klantenbestand voor energielevering en energie-inkoopcontracten en -inkoopposities. 2.
  10. Partijen hebben daartoe, voor het eerst in 2022, afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een op 18 mei 2022 door [gedaagde] verstuurde opdrachtbrief, genaamd ‘ [projectnaam 1] ’, die door beide partijen is ondertekend (hierna: overeenkomst 1). Overeenkomst 1 heeft niet geleid tot een transactie. 2.
  11. In 2023 is opnieuw geprobeerd om een koper te vinden voor het bedrijfsonderdeel van [eiser 1] . [gedaagde] en [eiser 1] hebben de afspraken hierover vastgelegd in een opdrachtbevestiging van 1 mei 2023, genaamd ‘ [projectnaam 2] ’ (hierna: overeenkomst 2). In overeenkomst 2 is bepaald, voor zover relevant: “(…) Aan: [eiser 1] B.V. T.a.v.: [naam 5] / [naam 1] Van: [gedaagde] B.V. (…) Hartelijk dank voor het vertrouwen dat jullie in ons stellen om [eiser 1] B.V. en haar aandeelhouders (hierna “ [eiser 1] ” of de “Opdrachtgever”) te mogen begeleiden bij een mogelijk verkoop van de aandelen van [eiser 1] of de klantportefeuille van [eiser 1] . (…) Vergoeding en Team [gedaagde] werkt met een maandelijkse retainer en een succes vergoeding indien de Transactie daadwerkelijk tot stand komt. - De maandelijkse retainer bedraagt € 8.000,-. - De succes vergoeding is afhankelijk van de aandeelhouderswaarde die gerealiseerd wordt. o Bij een transactiewaarde tot €10M geldt een succes-fee van 2,5%. o Bij een transactiewaarde van boven de €10M geldt een succes-fee van 5%. (…) Opzeggen en Survival (…) Wanneer het proces wordt uitgesteld of gestopt, maar er wordt door [eiser 1] toch een traject gestart voor 30 september 2023, waaruit een transactie voortkomt, zal [gedaagde] alsnog gerechtigd zijn de succes vergoeding in rekening te brengen. (…)” 2.
  12. Op 15 mei 2023 heeft [gedaagde] een factuur gestuurd aan [eiser 1] voor de verschuldigde ‘retainer’. [eiser 1] heeft vervolgens verzocht om de factuur op naam van [eiser 2] te zetten. 2.
  13. Na enige tijd heeft [naam 2] , namens [gedaagde] , op 2 augustus 2023 [naam 4] een Whatsappbericht gestuurd om binnenkort bij te praten. Daarna hebben zij nog enkele berichten uitgewisseld. Op 26 september 2023 heeft [naam 2] [naam 4] bericht: “Hi [naam 4] [ [naam 4] , vzr], Weer even bijpraten? Nog iets met laatste deel van klanten (2024 ev) proberen te doen?” 2.
  14. Op 22 november 2023 heeft [gedaagde] een e-mail naar [eiser 1] gestuurd, naar het e-mailadres van [naam 4] , waarin staat: “(…) Wij zouden het volgende af willen spreken t.a.v. fees:  Voor ons huidige werk berekenen we geen retainer.  Er gaat een retainer starten op het moment dat er een bieding is ontvangen waarmee jij wilt gaan onderhandelen.  De retainer wordt dan 8k per maand, tot aan closing of stopzetten van het proces.  De vaste succes fee is 400k, betaalbaar bij closing (overdracht van contracten of aandelen). De betaalde retainer wordt hiermee verrekend, dus netto wat lager. (…)” 2.
  15. [gedaagde] heeft in het najaar van 2023 een koper gevonden voor het klantenbestand van [eiser 1] , te weten Volti B.V. (hierna: Volti). Per 1 mei 2024 heeft [eiser 1] het klantenbestand aan Volti verkocht voor € 700.000,-. 2.
  16. Op 13 juni 2024 heeft [gedaagde] [eiser 1] verzocht om de factuur van de succesvergoeding ter hoogte van € 400.000 te betalen. 2.
  17. [eiser 1] heeft op 20 juni 2024 hierop geantwoord en geweigerd om dit bedrag te betalen. Zij heeft [gedaagde] bericht dat zij de e-mail met het voorstel van 22 november 2023 (zie hiervoor 2.8) niet is tegengekomen en dat er nooit contact of overeenstemming was over deze vergoeding. 2.
  18. Partijen hebben daarna gecorrespondeerd over de hoogte van de succesvergoeding voor [gedaagde] , maar konden het hier niet over eens worden. [gedaagde] betoogt dat zij recht heeft op € 400.000,-. [eiser 1] meent dat [gedaagde] recht heeft op 2,5% van de transactiewaarde en dat deze waarde pas in juli 2025 bij het vaststellen van de eindafrekening kan worden bepaald en dat zij daarom [gedaagde] pas in juli 2025 (in ieder geval) € 17.500,- (2,5% van € 700.000) hoeft te betalen. Op 10 juli 2024 heeft [eiser 1] voorgesteld om op dat moment al € 17.500 aan [gedaagde] over te maken in plaats van in juli
  19. [eiser 1] heeft dit voorstel op 10 oktober 2024 herhaald. 2.
  20. Op 11 juli 2024 heeft [gedaagde] in het kader van deze discussie/ onderhandelingen [eiser 1] bericht: “(…) We werken al meerdere jaren samen in diverse projecten. Wij zijn altijd in redelijkheid door jullie betaald en hebben hier voorheen nooit onenigheid over gehad. (…)” 2.
  21. Bij verzoekschrift van 12 februari 2025 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om ten laste van [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] conservatoire (derden)beslagen te mogen leggen, waarbij zij haar vordering heeft begroot op, primair € 377.520,- en subsidiair € 165.951,-. De voorzieningenrechter heeft op 13 februari 2025 verlof verleend voor het leggen van beslagen ter hoogte van € 165.950,- (inclusief rente en kosten) ten laste van alle vier de rechtspersonen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . 2.
  22. Op 27 februari 2025 heeft [gedaagde] de volgende conservatoire (derden)beslagen laten leggen ten laste van [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] : Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd. 3Het geschil 3.
  23. [eisers] vordert – na eiswijziging – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. primair: opheffing van alle op 27 februari 2025 door [gedaagde] ten laste van [eisers] gelegde beslagen; II. subsidiair: opheffing van de op 27 februari 2025 door [gedaagde] ten laste van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] gelegde beslagen; III. meer subsidiair: opheffing van de op 27 februari 2025 door [gedaagde] ten laste van [eiser 2] en [eiser 4] gelegde beslagen; IV. in alle gevallen: [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
  24. [eisers] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De beslagleggingen zijn in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omdat in het beslagverlof een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Op grond van artikel 705 lid 2 Rv moeten de beslagen worden opgeheven omdat het door [gedaagde] ingeroepen vorderingsrecht summierlijk ondeugdelijk is. [eisers] voert hiertoe ten eerste aan dat er alleen een rechtsverhouding bestaat tussen [eiser 1] en [gedaagde] en dat [gedaagde] dus geen vorderingsrecht heeft op [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Daarom is er geen grondslag voor de beslagleggingen onder die partijen. Voor wat betreft de vordering van [gedaagde] op [eiser 1] , heeft [gedaagde] een verkeerd beeld geschetst van de afspraken over de succesvergoeding, met name de hoogte daarvan en het moment van opeisbaarheid. Volgens [eiser 1] is er geen overeenstemming over een succesvergoeding van € 400.000 voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft recht op een succesvergoeding op grond van overeenkomst 2 – overeenkomst 2 was nog van toepassing vanwege de ‘survival clause’ omdat de werkzaamheden in augustus/september 2023 zijn voortgezet (zie 2.7) – van 2,5% van de transactiewaarde. De transactiewaarde kan pas in juli 2025 worden vastgesteld bij het opmaken van de eindafrekening van [eiser 1] . Daarom is de vordering van [gedaagde] op [eiser 1] pas opeisbaar in juli 2025 en kan er niet nu al beslag worden gelegd ten laste van [eiser 1] . Er bestaat verder geen vrees voor verduistering. [eiser 1] en [gedaagde] hebben vaker samengewerkt en [eiser 1] betaalt de vergoeding altijd. Dat heeft [gedaagde] ook erkend in haar e-mail van 11 juli 2024 (zie 2.13). Tot slot zijn de gelegde beslagen onnodig drukkend en vexatoir. [eisers] heeft lopende verplichtingen waaraan zij nu niet kan voldoen. Dit ziet onder meer op de nog lopende verplichtingen aan Gasterra. Voor [eiser 2] is de situatie nog ernstiger omdat zij niet eens de lonen van haar werknemers kan uitbetalen. 3.
  25. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft een rechtsverhouding met zowel [eiser 1] als [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] en daarom zijn de beslagen gelegd ten laste van alle vier gelegd. De succesvergoeding voor [gedaagde] bedraagt € 400.000 op basis van de e-mail van 22 november 2023 (zie 2.8). Dit was de nieuwe afspraak tussen partijen. De werkzaamheden werden niet meer uitgevoerd op basis van overeenkomst 2, maar op basis van nieuwe afspraken in het najaar van 2023, genaamd ‘[projectnaam 3]’. Uit overgelegde Whatsappcorrespondentie volgt dat de beloning voor [gedaagde] ook expliciet tussen partijen is besproken. De succesvergoeding is opeisbaar geworden vanaf het moment van closing van de transactie, maar [eisers] heeft deze tot op heden niet betaald. De beslagen zijn nodig omdat [eiser 1] leeg is en geen verhaal biedt. [eiser 1] heeft wel onderbouwd dat zij verplichtingen heeft, maar niet dat zij inkomsten genereert of waar haar activa zich bevinden. Daarom bestaat de vrees dat [eiser 1] de succesvergoeding niet kan betalen. 3.
  26. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  27. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. 4.
  28. Het is aan degene die opheffing vordert, in dat geval [eisers] , om binnen de grenzen van het kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Geen vorderingsrecht ten aanzien van [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 4] 4.
  29. Ten eerste heeft [eisers] aangevoerd dat [gedaagde] geen vorderingsrecht heeft op [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 4] , hoogstens alleen op [eiser 1] . De contractuele afspraken die zijn gemaakt golden namelijk alleen tussen [gedaagde] en [eiser 1] . Uit de overeenkomsten 1 en 2 blijkt inderdaad dat deze afspraken alleen golden tussen [eiser 1] en [gedaagde] . In de aanhef staan alleen partijen ‘ [eiser 1] B.V.’ en ‘ [gedaagde] B.V.’ genoemd. In beide overeenkomsten staat op pagina 1 wel de zin “Hartelijk dank voor het vertrouwen dat jullie in ons stellen om [eiser 1] B.V. en haar aandeelhouders (hierna “ [eiser 1] ” of de “Opdrachtgever”) te mogen begeleiden bij een mogelijk verkoop”, maar hieruit volgt niet dat de aandeelhouders van [eiser 1] ook contractspartij zijn. Uit de adressering (“aan: [eiser 1] B.V.”) en de handtekeningpagina (“Voor akkoord: Namens: [eiser 1] B.V.”) blijkt dat alleen [eiser 1] werd aangemerkt als contractspartij. Het feit dat [eiser 1] heeft gevraagd om enkele facturen op naam van [eiser 2] te zetten (zie 2.6) en dat deze facturen ook door [eiser 2] zijn betaald, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser 2] een contractspartij is van [gedaagde] . Het enkele feit dat een ander op verzoek van de debiteur gefactureerd wordt en zorgdraagt voor betaling, maakt deze nog geen contractspartij. Bovendien heeft [gedaagde] zich voor de betaling van de door haar gevorderde succesvergoeding ook nooit tot [eiser 3] , [eiser 2] of [eiser 4] gewend. Dat duidt er ook op dat [gedaagde] enkel [eiser 1] als contractspartij zag. Dit tezamen maakt dat summierlijk is gebleken dat [gedaagde] geen vorderingsrecht kan doen gelden op [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 4] . Daarom heft de voorzieningenrechter de door [gedaagde] gelegde conservatoire (derden)beslagen ten laste van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] op. Beslag ten laste van [eiser 1] 4.
  30. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 1] aan [gedaagde] nog een succesvergoeding is verschuldigd. Partijen zijn het alleen niet eens over de hoogte van deze vergoeding en het moment van opeisbaarheid. Het staat dus vast dat [gedaagde] wel nog een vorderingsrecht heeft op [eiser 1] , maar of deze vordering op dit moment al opeisbaar is, is afhankelijk van de uitleg van de afspraken tussen partijen. Weliswaar is dat op dit moment nog onduidelijk, maar hierdoor kan nog niet worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken dat de vordering van [gedaagde] op [eiser 1] ondeugdelijk is. 4.
  31. Als niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering, kan ook een belangenafweging leiden tot opheffing van het gelegde beslag, dan wel herbegroting van de vordering waarvoor beslag is gelegd. 4.
  32. Een belangenafweging maakt echter ook niet dat het beslag ten laste van [eiser 1] moet worden opgeheven. [eiser 1] heeft met facturen van Gasterra onderbouwd dat zij nog lopende financiële verplichtingen heeft, maar zij heeft ook ter zitting onderbouwd dat er nog gelden binnen kunnen komen. Als er gelden binnenkomen nadat het beslag is gelegd kan [eiser 1] hier vrij over beschikken. De stelling van [eiser 1] dat als zij eerder verplichtingen moet voldoen dan dat er geld binnenkomt en dat [eiser 1] dan in de problemen komt, is op dit moment nog slechts een theoretisch probleem. [eiser 1] heeft niet onderbouwd dat dit nu al speelt. Daarom zal het beslag ten laste van [eiser 1] niet worden opgeheven. Er is verder geen aanleiding om de vordering te herbegroten omdat bij het verlenen van het verlof de voorzieningenrechter is uitgegaan van het op grond van overeenkomst 2 mogelijk verschuldigde bedrag aan retainers en succes fee. Proceskosten 4.
  33. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
  34. heft op de op 27 februari 2025 door [gedaagde] ten laste van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] gelegde conservatoire (derden)beslagen, waarvoor op 13 februari 2025 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof is verleend, 5.
  35. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
  36. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  37. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart
  38. type: EvK coll: MV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.