← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:7666

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/5307 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek deels kennelijk ongegrond is en de voorzieningenrechter voor het verzoek deels kennelijk onbevoegd is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is en waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om te beslissen op een deel van het verzoek. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Volgens verzoeker blijven er besluiten van het college uit op aanvragen die betrekking zouden hebben op beslagleggingen en op beperking van gegevensverstrekking door het college aan derde instanties. Hierom heeft verzoeker een beroep tegen niet-tijdig beslissen ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Beslaglegging(

  1. en)3. Voor zover het verzoek inhoudt dat beslaglegging(
  2. en)geschorst moet(
  3. en)worden, is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om daarover te beslissen. Voor zover de voorzieningenrechter heeft kunnen vaststellen op grond van de stukken die verzoeker heeft overgelegd, vindt de beslaglegging in dit geval plaats op grond van het civiele recht omdat verzoeker (een) (zorg) rekening(
  4. en)niet heeft betaald. Voor zover verzoeker tegen deze beslaglegging wil opkomen, zal hij zich tot de civiele rechter moeten wenden. De voorzieningenrechter heeft op grond van de stukken van verzoeker niet kunnen vaststellen dat in dit geval (ook) sprake zou zijn van een bestuursrechtelijk beslag, dat wil zeggen, verhaalsbeslag dat door of namens een bestuursorgaan voor een bestuursrechtelijke geldschuld wordt gelegd. Maar zelfs als daarvan (ook) sprake zou zijn, dan geldt dat ook een dergelijk verhaalsbeslag wordt gelegd volgens het burgerlijk procesrecht en dat als verzoeker dat wil aanvechten, hij dat bij de civiele rechter moet doen. Voor het doorzenden van het verzoek om een voorlopige voorziening naar de civiele rechter is geen plaats, nu voor het aanhangig maken van een zaak bij de civiele rechter eigen procedurele regels gelden. Gegevensverstrekking 4. Voor zover verzoeker met zijn verzoek om een voorlopige voorziening schorsing van gegevensverstrekking door het college aan derde instanties beoogt, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij bij het college – bijvoorbeeld op grond van artikel 2.59 van de Wet Basisregistratie Personen (BRP) - heeft verzocht om beperking van gegevensverstrekking. In de door verzoeker overgelegde stukken ziet de voorzieningenrechter geen aanvraag/aanvragen van verzoeker aan het college met deze strekking. De voorzieningenrechter is bij deze stand van zaken van oordeel dat niet is gebleken van niet tijdig beslissen op een aanvraag/aanvragen door het college. Gelet hierop bestaat er in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek in zoverre dan ook als kennelijk ongegrond af. Conclusie en gevolgen 5. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om te beslissen over het verzoek voor zover het strekt tot schorsing van beslaglegging(en). Het verzoek is kennelijk ongegrond voor zover het strekt tot beperking van gegevensverstrekking. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek strekt tot schorsing van beslaglegging(en); wijst het verzoek af voor zover het verzoek strekt tot beperking van gegevensverstrekking . Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.