RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/3832 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigden: mr. F.R.G. Keijzer en mr. L. Wortelboer) en de korpschef van politie, verweerder (hierna: korpschef), (gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. 1.
- Ten behoeve van eiser is door [bedrijf] op 2 december 2023 toestemming verzocht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wprb). 1.
- Bij besluit van 5 januari 2024 (het primaire besluit) is aan eiser kenbaar gemaakt dat de toestemming wordt onthouden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar ingediend. Vervolgens heeft er op 17 april 2024 een hoorzitting plaatsgevonden. 1.
- Bij besluit van 28 mei 2024 (het bestreden besluit) is de korpschef bij de afwijzing gebleven en is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 8 juli 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van de korpschef deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
- Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond maar blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het bestreden besluit
- De korpschef heeft de door eiser gevraagde toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wprb onthouden op grond van de volgende feiten en omstandigheden: a. Aan eiser is op 5 augustus 2022 een strafbeschikking opgelegd door de officier van justitie, voor het niet voldoen aan een bevel/vordering (hierna: feit 1). Dit feit betreft een misdrijf en eiser diende een boete te betalen. Tegen de strafbeschikking heeft eiser verzet ingesteld. De officier van justitie heeft op 26 oktober 2022 besloten eiser niet meer te vervolgen en de opgelegde strafbeschikking in te trekken. Uit de onderliggende politieregistraties blijkt dat eiser zich tijdens het aanhouden van een vriend van hem bemoeide met deze aanhouding. Eiser is meerdere malen verzocht weg te gaan. De verbalisant voelde zich dusdanig bedreigd dat hij zich genoodzaakt voelde zijn stroomstootwapen te pakken en dit wapen op eiser te richten om hem op afstand te houden. Daarna werd eiser aangehouden. Uiteindelijk is eiser niet als verdachte verhoord, omdat hij dusdanig recalcitrant was. Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een vooral op 28 mei 2019 in Den Haag (hierna: feit 2). Eiser zou een medewerkster van een winkel hebben bedreigd, nadat er iets niet goed zou zijn gegaan bij het op naam zetten van een voertuig. Eiser zou tegen de medewerkster hebben geschreeuwd en hebben gezegd dat hij haar in het gezicht wilde slaan. Eiser heeft vervolgens de winkel verlaten, waarna de politie is gebeld. Volgens verbalisanten was eiser zeer emotioneel en bij vlagen agressief. De verbalisanten zagen dat eiser ook een boete open had staan die gelijk betaald diende te worden. Volgens de verbalisanten heeft eiser enorm stampij gemaakt en wenste hij niet mee te werken. Onder dwang is eiser vervolgens geboeid en in de politieauto geplaatst. Volgens de verbalisanten was eiser in de auto zeer rustig en zelfs vriendelijk, waardoor het leek alsof hij twee gezichten had. Eiser heeft meerdere verkeersboetes op zijn naam gekregen. - Op 15 januari 2022 heeft eiser twee strafbeschikkingen gekregen van ieder 360 euro voor het besturen van een voertuig op 18 en 19 oktober 2019, terwijl hij niet in bezit was van enig rijbewijs. Rijden zonder rijbewijs betreft een overtreding. Daarnaast zijn tien meldingen bekend van Mulder-gedragingen. Dit zijn lichte verkeersfeiten die niet op eisers Justitiële Documentatie staan. Eiser heeft op 3 maart 2023 een boete gekregen voor het stil laten staan van een voertuig waardoor gevaar of hinder kan worden veroorzaakt. Eiser heeft op 26 juli 2022 een boete gekregen voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. Eiser heeft op 2 mei 2022 een boete gekregen voor handelen in strijd met een geslotenverklaring. Eiser heeft op 9 april 2022 een boete gekregen voor het negeren van een rood licht én een boete voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. Eiser heeft op 13 oktober 2021 een boete gekregen voor het rijden in een voertuig zonder de vereiste verzekering. Eiser heeft op 28 juli 2021 en op 5 maart 2020 een boete gekregen voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. Eiser heeft op 12 februari 2020 een boete gekregen voor het niet op eerste vordering afgeven van het rijbewijs én een boete voor het rijden met twee banden die niet de juiste profilering hebben. Daarnaast valt het gedrag van eiser zoals door politieambtenaren in meerdere registraties over een langere periode wordt beschreven, in negatieve zin op. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 31 juli 2019 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van overlast van lachgasgebruik troffen verbalisanten eiser aan als lachgasverkoper en hebben zij eiser aangesproken. Ter plaatste was veel uitgaanspubliek en er lagen veel lege ballonnen op straat. Volgens verbalisanten was eiser erg vervelend door continu (verborgen) te filmen en erg de grens op te zoeken. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 6 augustus 2019 in Den Haag. Eiser zou een rekening (van 425 euro) niet willen betalen aan de eigenaar van een garage voor het maken van zijn voertuig, omdat de eigenaar geen bonnetje kon overhandigen en eiser het te duur vond. Verbalisanten hebben aangegeven dat sprake is van een civiele zaak en dat zij hierin enkel kunnen bemiddelen. Volgens verbalisanten was eiser niet voor reden vatbaar. Ook was eiser volgens verbalisanten heel recalcitrant en vond hij dat de politieambtenaren hun werk niet goed deden. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 10 december 2019 in Amsterdam. Eiser werd door verbalisanten staande gehouden als bestuurder van een voertuig dat opviel. Eiser nam het gesprek op met zijn telefoon. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een vooral op 31 januari 2020 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van ruzie tussen ex-partners, waarbij hun zoontje van vijf jaar oud aanwezig zou zijn, troffen verbalisanten eiser aan als ex-partner. Er zou ruzie zijn geweest over de omgang met het kind. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 12 februari 2020 in Amsterdam. Verbalisanten zagen een voertuig rijden waarvan een buitengebruikstelling open stond. De verbalisanten confronteerden eiser met de buitengebruikstelling bij een tankstation. Eiser was van mening dat hij niet hoefde te betalen, omdat hij niet de te naam gestelde was. Eiser bleef in discussie gaan en gaf aan dat hij zeker niet ging betalen en al helemaal niet als de auto afgestaan werd. Tijdens de discussie met de verbalisanten startte eiser de auto en probeerde weg te rijden. De verbalisant heeft geroepen dat hij diende te blijven staan en gebruikte pepperspray om eiser te doen stoppen. Eiser gaf hier geen gehoor aan en reed met hoge snelheid weg van de benzinepomp. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 5 maart 2020 in Den Haag. De verbalisant controleerde het voertuig van eiser, omdat hij constateerde dat eiser met een telefoon in zijn hand reed. Volgens de verbalisant begon eiser direct met filmen en had hij een grote mond. Eiser was volgens de verbalisant zeer vervelend en recalcitrant. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 31 mei 2020 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van een ruzie tussen drie huurders en een verhuurder kwamen de verbalisanten naar de woning van eiser. Eiser zou de woning heeft verhuurd aan derden zonder hier iets over op papier te zetten. Eiser verklaarde hierover dat het ging om een vriendendienst. Volgens de verbalisanten was eiser flink aan het schreeuwen. Eiser zou op dat moment willen dat de huurders per direct de woning zouden verlaten, zonder hen de tijd te geven om hun spullen te pakken. Eiser vond dat hij in zijn recht stond en vond ook dat hij alle spullen van de huurders uit zijn woning mocht gooien. Hij zou bang zijn voor de boetes die hij zou krijgen als uit zou komen dat hij zijn woning verhuurd. Volgens verbalisanten was eiser erg dwingend en agressief tegen de huurders. Daarnaast heeft eiser de spullen van de huurders opgepakt en in de tuin gegooid. Volgens de verbalisanten bleef eiser de verbalisanten filmen en recalcitrant naar de verbalisanten doen. Eiser probeerde hen uit te dagen en de grenzen op te zoeken. Bovendien zou eiser slecht naar de verbalisanten hebben geluisterd en alleen hebben gehoord wat hij wilde horen. Nadat de huurders uit de woning waren vertrokken, was eiser boos dat de woning vies zou zijn achtergelaten. Hierop werd eiser wederom boos en dwingend en begon eiser te schreeuwen en te tieren. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 15 januari 2022 in Amsterdam. Verbalisanten passeerden een voertuig dat langzaam reed en waarvan, na een controle, de te naam gestelde van het voertuig geen rijbewijs zou hebben. Verbalisanten gingen het gesprek aan met de bestuurder, eiser, en de bijrijder. Volgens verbalisanten lette eiser erg op welke antwoorden de bijrijder gaf. Vervolgens schreeuwde eiser dat de bijrijder zijn raam dicht moest doen en geen antwoord mocht geven op de vragen die de verbalisanten stelden. De bijrijder mocht ook zijn legitimatiebewijs van eiser niet overhandigen aan de verbalisanten. Eiser werd vervolgens verbaal agressief toen de verbalisant het portier van de bijrijder wilde openen. Eiser heeft het voorval gefilmd. 4.
- In het bestreden besluit is verder het volgende opgenomen. De korpschef heeft beoordelingsvrijheid bij het vaststellen of iemand voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Aan eiser wordt de strafbeschikking van feit 1 niet tegengeworpen, omdat de zaak is geseponeerd. De onderliggende gedragingen worden wel aan eiser tegengeworpen, op grond van paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels. Er was sprake van een beleidssepot. De intrekking van de strafbeschikking betekent niet dat daarmee de verdenkingen van de feiten ook zijn ingetrokken. Ook de strafbeschikking uit feit 2 wordt eiser niet tegengeworpen, aangezien deze op grond van paragraaf 3.3, onder a, van de Beleidsregels, buiten de terugkijktermijn van vier jaar valt. De onderliggende gedragingen worden wel aan eiser tegengeworpen, op grond van paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels. Verder geven de in rechtsoverweging 4 onder c genoemde verkeersovertredingen de indruk dat eiser gemakkelijk rechtsregels naast zich neerlegt. De in rechtsoverweging 4 onder d genoemde gedragingen getuigen niet van het beschikken over voldoende de-escalerend vermogen. De korpschef concludeert dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Het juridisch kader
- Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Feit 1 en feit 2 Wat vindt eiser?
- Eiser stelt dat zowel feit 1 als feit 2 ten onrechte aan hem zijn tegengeworpen. Zo stelt de korpschef zich op het standpunt dat de strafbeschikking van feit 2 niet aan eiser wordt tegengeworpen omdat dit buiten de terugkijktermijn van vier jaar valt. De onderliggende gedragingen rond dit feit worden echter wel aan eiser tegengeworpen. Paragraaf 3.3, onder a, onder 2, van de Beleidsregels dwingt de korpschef een terugkijktermijn van vier jaar te hanteren. Door toch naar de gedragingen uit feit 2 te kijken, omzeilt de korpschef de terugkeertermijn en daarmee treedt hij buiten zijn bevoegdheid. Ook de redenering voor het tegenwerpen van feit 1 klopt niet. Het sepot wordt niet meegewogen, maar tegelijkertijd blijven de onderliggende gedragingen wel twijfel geven. Dat gaat niet samen; of het feit wordt hem niet tegengeworpen, en dus ook niet meegewogen, of wel. Wat vindt de korpschef? 6.
- De korpschef stelt zich op het standpunt dat op particuliere beveiligers een zware verantwoordelijkheid rust en om die reden worden aan hen zwaardere eiser gesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld biedt de b-grond van artikel 3.3 van de Beleidsregels de korpschef de ruimte om zijn oordeel te baseren op feiten en omstandigheden die geen aanleiding hebben gegeven tot strafrechtelijke vervolging. De korpschef heeft in de zaak van eiser een terugkijktermijn gehanteerd van vier jaar, voor veroordelingen en andere rechtelijke uitspraken die onder de a-grond vallen. De terugkijktermijn van gedragingen die onder de b-grond vallen, is afhankelijk van het geval en bedraagt niet langer dan acht jaar. 6.
- Uit het bestreden besluit volgt dat de korpschef de strafbeschikking uit feit 1 niet tegenwerpt. De gedragingen waarvoor de strafbeschikking was opgelegd blijven echter wel bestaan. Deze gedragingen geven volgens de korpschef op zichzelf twijfel over de betrouwbaarheid van eiser. Wat betreft feit 2 werpt de korpschef deze strafbeschikking niet tegen nu deze buiten de terugkijktermijn van paragraaf 3.3 onder a onder 2 van de Beleidsregels valt. De gedragingen waarvoor de strafbeschikking was opgelegd, blijven echter wel bestaan en geven net als de gedragingen van feit 1 twijfel over de betrouwbaarheid van eiser. 6.
- Op de zitting heeft de gemachtigde van de korpschef erkend dat de wijze waarop de strafbeschikking en de onderliggende gedragingen zijn meegenomen in het bestreden besluit zorgvuldiger gemotiveerd had kunnen worden. De gemachtigde van de korpschef heeft verzocht om, indien de rechtbank hierin een gebrek ziet, de rechtsgevolgen in stand te laten. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.
- De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en overweegt daartoe als volgt. In het bestreden besluit zijn zowel feit 1 als feit 2 onder de b-grond van paragraaf 3.3 aan eiser tegengeworpen. De gemachtigde van de korpschef heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het beleidssepot van feit 1 aan eiser tegengeworpen had kunnen worden. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad had gekund op basis van paragraaf 3.3 onder b van de beleidsregels (de b-grond). De korpschef heeft er echter voor gekozen om dat niet te doen, zo staat ook expliciet vermeld in het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef dan niet alsnog de onderliggende gedragingen van feit 1 onder diezelfde b-grond kan scharen, als hij ervoor kiest het sepot niet tegen te werpen. Met betrekking tot de gehanteerde b-grond stelt de rechtbank verder vast dat, zo staat in het verweerschrift en is op zitting bevestigd, de korpschef een terugkijktermijn van vijf jaar heeft aangehouden. Voor wat betreft feit 2 overweegt de rechtbank dat de korpschef de strafbeschikking niet heeft kunnen tegenwerpen onder de a-grond, omdat dit feit buiten de terugkijktermijn van vier jaren valt, zoals vermeld in het beleid. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef er vervolgens dan niet voor kan kiezen om de onderliggende gedragingen alsnog onder de b-grond tegen te werpen. Dit omdat de b-grond een andere terugkijktermijn heeft en de korpschef via deze weg de terugkeertermijn van de a-grond (vier jaar bij een strafbeschikking) in wezen omzeilt. 6.
- De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek heeft en voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank oordeelt echter ook dat de rechtsgevolgen in stand blijven, vanwege het navolgende. Ernstige aantastingen van de rechtsorde Wat vindt eiser?
- Eiser stelt dat geen sprake is van ernstige aantastingen van de rechtsorde als bedoeld in de b-grond van het beleid. In zijn geval is sprake van lichte verkeersovertredingen of registraties van politieambtenaren, die niet voldoen aan dit criterium. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 11 november
- De korpschef heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een ernstige aantasting van de rechtsorde. Wat vindt de korpschef? 7.
- De korpschef stelt zich op het standpunt dat hoewel eiser niet strafrechtelijk veroordeeld is, hij wel herhaaldelijk voorkomt in het politiesysteem. De verdenkingen bestaan onder andere uit agressie en recalcitrant gedrag, met name naar politieambtenaren. Dit zijn verdenkingen die naar zijn aard niet passen bij een medewerker die werkzaamheden wil verrichten in de beveiligingsbranche. Van beveiligers wordt ook verwacht dat zij zowel tijdens werk- als in privésituaties de-escalerend optreden. Van een aankomend beveiligingsmedewerker mag immers verwacht worden dat deze op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving en zich daar stipt aan houdt. De korpschef kent eveneens gewicht toe aan de verkeersboetes, nu het naast zich neerleggen van rechtsregels een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. Van een aankomend beveiligingsmedewerker mag immers verwacht worden dat deze op de hoogte is van geldende wet- en regelgeving en zich daar stipt aan houdt. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7.
- De rechtbank overweegt dat de korpschef als maatstaf hanteert dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn. De korpschef mag zich daarbij in redelijkheid op het standpunt stellen dat van beveiligingsmedewerkers bij uitstek een coöperatieve samenwerking met de politie en andere gezagsdragers mag worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Het structureel naast zich neerleggen van (verkeers)wet- en regelgeving vormt die ernstige aantasting. Hierbij is van belang dat de wetgever met de meermalen door eiser overtreden rechtsregels heeft beoogd de verkeersveiligheid te beschermen. De beroepsgrond slaagt niet. De betrouwbaarheid van de mutaties Wat vindt eiser?
- Op de zitting heeft eiser vervolgens een nieuwe grond naar voren gebracht. Hij stelt dat de mutaties waar de korpschef zich op baseert niet kloppen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8.
- De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat eiser met de enkele stelling dat de mutaties niet kloppen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat getwijfeld moet worden aan de door verschillende ambtenaren opgemaakte mutaties. De beroepsgrond slaagt niet. Gedragsveranderingen en evenredigheid Wat vindt eiser?
- Eiser stelt vervolgens dat de korpschef zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser blijkbaar blijft persisteren in het eerder genoemde gedrag en om die reden getwijfeld moet worden aan zijn zelfbeheersing en zelfinzicht. Eiser heeft sinds maart 2023, inmiddels meer dan twee jaar geleden, geen nieuwe gedragingen gepleegd of meldingen gehad die deze stelling kunnen ondersteunen. Eiser heeft juist actief gewerkt aan gedragsverandering, onder meer door het volgen van traumatherapie, waarmee hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn verleden en duidelijke stappen heeft gezet richting structurele verbetering. De korpschef moet een evenwichtige belangenafweging maken tussen het doel van de regelgeving en de ingrijpende gevolgen voor eiser. Dit heeft de korpschef ten onrechte nagelaten. De gedragingen waarop de beslissing is gebaseerd dateren voornamelijk uit 2019-
- De toestemming is daarnaast aangevraagd voor beveiligingswerkzaamheden binnen een datacenter, zonder direct of risicovol contact met publiek. Nadat eiser de benodigde toestemming werd geweigerd, kon hij niet als beveiliger aan de slag en raakte hij zijn positie als servicemedewerker bij het datacenter kwijt. Eiser merkt daarbij op dat in het kader van het evenredigheidsbeginsel ook aandacht had moeten worden besteed aan het feit dat eiser gedupeerde is van de toeslagenaffaire. Deze affaire heeft eiser diep in zijn financiële en persoonlijke situatie geraakt. Het afgelopen jaar heeft eiser echter aangetoond dat hij enorme persoonlijke stappen heeft gezet. Zo is hij inmiddels werkzaam als jongerenmedewerker voor 20 uur per week, waar hij zich inzet voor het signaleren van problemen op straat. Daarnaast werkt eiser één dag per week als social worker aan de Hogeschool van Amsterdam. Ook heeft eiser recent zijn ‘taxipas’ behaald, met het doel om naast zijn werkzaamheden als beveiliger af en toe taxidiensten te verrichten. Hij neemt zijn verantwoordelijkheden serieus, mede in het vooruitzicht van de komst van zijn tweede kind in september
- Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september
- Hierin is overwogen dat van de beleidsregels kan worden afgeweken, indien gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen voor betrokkenen onevenredig nadeel zou opleveren. Wat vindt de korpschef? 9.
- De korpschef stelt zich op het standpunt dat artikel 7 van de Wpbr een dwingende bepaling is, waarbij hij verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 16 maart 2022 en 12 oktober
- Dit is ook met eiser op de hoorzitting besproken. De meest recente gedragingen die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit dateren uit
- Eiser heeft geen dusdanig bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de terugkeertermijn zou moeten worden ingekort. Daarbij heeft eiser een ‘taxipas’ behaald, waarmee hij in zijn onderhoud kan voorzien. Wat is het oordeel van de rechtbank? 9.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een dwingendrechtelijk karakter. Dat houdt in dat als de korpschef met toepassing van de Beleidsregels tot de conclusie komt dat de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk, hij de toestemming moet onthouden. Voor een belangenafweging is in dat geval geen plaats. Dat neemt echter niet weg dat de korpschef bij de beoordeling of de betrokkene bekwaam of betrouwbaar is gebruik maakt van de Beleidsregels en artikel 4:84 van de Awb moet toepassen. Daarbij mag hij alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. De reikwijdte van artikel 4:84 van de Awb wordt dus begrensd door de ruimte die artikel 7, vierde lid, van de Wpbr laat. 9.
- De rechtbank stelt vast dat de korpschef in de besluitvorming niet met zoveel woorden melding heeft gemaakt van artikel 4:84 van de Awb, maar wel ingaat op het punt van eiser in bezwaar dat hij heeft geleerd van zijn fouten, ten positieve is veranderd en traumatherapie volgt. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef zich hiermee, samen met zijn aanvullende motivering op zitting, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat eiser toch betrouwbaar geacht moet worden. De korpschef heeft er op kunnen wijzen dat de meest recente gedragingen dateren uit
- Ook zien de gedragingen op een langere periode, tussen 2019 en
- Verder heeft de korpschef er ook op kunnen wijzen dat eiser zijn ‘taxipas’ heeft gehaald en dus andere mogelijkheden heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechtbank begrijpt dat eiser actief heeft gewerkt aan gedragsveranderingen en dat valt hem ook te prijzen. Dit is alleen onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Hardheidsclausule
- Eiser doet ook een beroep op de hardheidsclausule. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2022 meent eiser dat de korpschef had moeten afwijken van de vastgestelde terugkijktermijn. 10.
- De hardheidsclausule uit artikel 3.3 van de Beleidsregels houdt in dat de korpschef een termijn, waarbinnen relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, kan verkorten. Uit het imperatieve karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr volgt dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Dat betekent dat de korpschef bij een beroep op de hardheidsclausule alleen omstandigheden mag betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. Voor een verdere belangenafweging is geen plaats. Het is aan degene die een beroep doet op de hardheidsclausule om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan voldoende aannemelijk kan worden geacht dat hij beschikt over de benodigde betrouwbaarheid. 10.
- De rechtbank stelt vast dat eiser geen andere omstandigheden naar voren heeft gebracht dan hiervoor in rechtsoverweging 9 vermeld. De korpschef heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat om dezelfde redenen zoals vermeld in rechtsoverweging 9.1 en 9.2 geen aanleiding bestaat om in eisers geval een kortere terugkijktermijn te hanteren. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8 van het EVRM Wat vindt eiser?
- Het onthouden van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden vormt in het geval van eiser inmenging in zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Nadat eiser de benodigde toestemming werd geweigerd, kon hij niet als beveiliger aan de slag en raakte hij zijn baan als servicemedewerker kwijt. Het besluit heeft daarmee directe gevolgen gehad voor zijn werk, inkomen, dagelijkste structuur en het raakt aan zijn recht op persoonlijke ontwikkeling, maatschappelijke integratie en bestaanszekerheid. Wat vindt de korpschef? 11.
- De korpschef stelt zich op het standpunt dat artikel 7, vierde lid, van het Wpbr een dwingend karakter heeft. De korpschef benadrukt daarbij dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn. Er is daarom geen sprake van een verboden inmenging in het recht op privéleven. Wat is het oordeel van de rechtbank? 11.
- De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verboden beperking van het recht op het privéleven. Daarvoor is van belang dat het vereiste van toestemming door de korpschef is opgenomen in de Wpbr en de beperking dus bij wet is voorzien. Het vereiste van toestemming en daarmee het oordeel van de korpschef over de betrouwbaarheid van eiser is verder noodzakelijk om de openbare veiligheid te beschermen. Eiser heeft tot slot niet concreet onderbouwd en ook is niet gebleken dat sprake is van strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De beroepsgrond slaagt niet. Zorgvuldigheidsbeginsel
- Eiser meent tot slot dat het bestreden besluit op gespannen voet staat met het zorgvuldigheidsbeginsel vanwege alinea’s die abusievelijk zijn overgenomen uit een ander besluit. De rechtbank volgt dat niet. Zoals de korpschef terecht heeft opgemerkt was sprake van een kennelijke verschrijving in het primaire besluit. In bezwaar heeft een volledige heroverweging plaatsgevonden, waarbij de verschrijving is hersteld. Conclusie en gevolgen
- Slotsom is dat de korpschef met toepassing van de Beleidsregels redelijkerwijs het standpunt kon innemen dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. 13.
- De rechtbank komt wel tot de conclusie dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek heeft en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit betekent dat de onthouding van de in artikel 7 van de Wrpb bedoelde toestemming in stand blijft.
- De rechtbank veroordeelt de korpschef in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de korpschef de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener(s). De korpschef wordt ook opgedragen om het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden. De beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; - draagt de korpschef op om het griffierecht van € 187,- te vergoeden; en - veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-; Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juli
- griffier rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Artikel 7
- Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
- Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee. (…)
- De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid. Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 3.
- Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van: a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken; b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten. Ad a. (veroordelingen andere rechterlijke uitspraken) De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet: binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of, binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd (…) Transacties en strafbeschikkingen Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. (…) Afwijking termijnen De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang. (…) Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Sepots, processen-verbaal en mutaties Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat. Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren. (…) Termijn De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd. Op grond van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Met kenmerken PL1300-2022163582 en PL1300-
- Kenmerk PL1300-
- Kenmerk PL1500-
- Kenmerk PL1300-
- Kenmerk PL1300-
- Kenmerk PL1300-
- Kenmerk PL1500-
- Kenmerk PL1300-
- Kenmerk PL1300-
- Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Beleidsregels). Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. De korpschef verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2950, onder 4.
- ECLI:NL:RVS:2015:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:30, rechtsoverweging 4.1 en van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
- ECLI:NL:RBMNE:2022:
- ECLI:NL:RVS:2022:
- ECLI:NL:RVS:2022:
- Algemene wet bestuursrecht. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- ECLI:NL:RBMNE:2022:
- Zie de uitspraak van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.