← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:8446

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/229144-25 Datum uitspraak: 6 november 2025 UITSPRAAK op de vordering van 17 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2025 door het Amtsgericht Geislingen an der Steige, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Syrië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Duitse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Syrische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Geislingen an der Steige van 15 juni 2022, rechtsgeldig sinds 7 juli 2022, zaaknummer: 4 Ls 43 Js 1375/

  1. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB is de nog uit te zitten straf 431 dagen waarvan 4 dagen tot de afspraak voor de 2/3-controle volgens paragraaf 57 StGB. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 3 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 3 waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feiten 1 en 2 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  2. Valsheid in geschrift.
  3. Medeplegen van valsheid in geschrift. 5Medische omstandigheden De raadsman heeft op de zitting aandacht gevraagd voor de medische situatie van de opgeëiste persoon en verzocht om aanhouding teneinde de officier van justitie bij de uitvaardigende autoriteit te laten navragen waar de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering zal worden gedetineerd. De opgeëiste persoon heeft een knieblessure waarvoor hij medische zorg nodig heeft. Deze knieblessure heeft hij opgelopen toen hij in 2023 in [plaats 1] was gedetineerd. Hij had destijds medische zorg nodig, maar de afspraken daartoe werden door de detentie-instelling steeds afgezegd. Toen de opgeëiste persoon later in [plaats 2] werd gedetineerd, kreeg hij wederom niet de medische hulp die hij nodig had. De opgeëiste persoon heeft nog steeds medische hulp nodig, maar gelet op deze voorgeschiedenis bestaat het risico dat hij na zijn overlevering deze hulp niet zal krijgen in Duitsland. Er is dus een garantie nodig dat Duitsland deze hulp wel zal bieden. De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek. Er is geen algemeen gevaar dat Duitsland aan gedetineerden niet de nodige medische zorg kan bieden. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om een garantie op te vragen over de betreffende zorg in Duitse detentie-instellingen De rechtbank vertrouwt erop dat de opgeëiste persoon de zorg, voor zover die noodzakelijk is, zal ontvangen. De rechtbank overweegt dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf uitzitten in Duitsland het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat in detentie niet de nodige medische zorg wordt verleend. De raadsman heeft daartoe ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Duitsland blijkt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. Er is daarom ook geen aanleiding om daarover nadere vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 en 225 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Geislingen an der Steige (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en M. Scheeper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 november
  4. De voorzitter en griffier zijn buiten staat de uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.