vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/066108-25 Datum uitspraak: 17 oktober 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [De verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende op het adres [adres] , thans gedetineerd in de [detentieadres] ), hierna: verdachte. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten, en wat verdachte en zijn raadsman mr. P.M. Rombouts naar voren hebben gebracht. De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd,plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13-066092-25 tegen medeverdachte [medeverdachte] . 2De tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 339,60 gram cocaïne, 47 gram MDMA en 25,14 gram 2C-B; het voorhanden hebben van twee pistoolmitrailleurs, twee pistolen, diverse kogelpatronen, meerdere bussen pepperspray en meer patroonmagazijnen van een automatisch aanvalsgeweer; het opzettelijk aanwezig hebben van 6.450 gram hennep; het opzettelijk aanwezig hebben van 244 stuks knalvuurwerk (Super Cobra’s); het witwassen van een geldbedrag van € 16.169,
- De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om verdachte partieel vrij te spreken voor het opzettelijk aanwezig hebben van 2C-B (feit 1) en het medeplegen bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep (feit 3), de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5). 4.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen bij het opzettelijk voorhanden hebben van de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5) niet bewezen kan worden en dat het aangetroffen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, namelijk de handel in hennep. Het onder feit 5 ten laste gelegde laat zich daarmee kwalificeren als eenvoudig witwassen. 4.
- Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van de harddrugs, de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 1, 2, 3, en 4) Overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierna omschreven in rubriek
- Hierbij wordt verdachte partieel vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 25,14 gram 2C-B (feit 1) en van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 2, 3, en 4). In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen, inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte deze feiten heeft bekend en er door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Ten aanzien van het witwassen (feit 5) De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in bijlage III bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een geldbedrag van in totaal € 16.169,
- De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Juridisch kader Voor een bewezenverklaring van witwassen zal allereerst moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het ligt dan op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende, mogelijke alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Bewijsoverweging Op 2 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen de woning van verdachte aan het [adres] doorzocht. Hierbij werd in totaal een bedrag van € 16.169,20 contant geld aangetroffen, verspreid over verschillende lades en in een kast. Gelet op de hoge waarde van het totale contante geldbedrag, de vindplaatsen en de manier van aantreffen van het geld – in pakketjes biljetten met een elastiek eromheen – de coupures waaronder biljetten van € 200 en € 500,- in combinatie met het aantreffen van drugs en wapens in de woning, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een witwasvermoeden. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, welke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte heeft echter geen enkele verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Op basis van het politieonderzoek is het beeld ontstaan dat verdachte zich heeft beziggehouden met illegale praktijken (zoals drugshandel) waarmee hij aanzienlijke bedragen zou kunnen hebben verdiend. Uit de onderzochte financiële omstandigheden van verdachte door de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCov) blijkt dat verdachte een eigen klusbedrijf heeft, maar dat hij daar volgens de bij de Belastingdienst bekende gegevens minimale inkomsten uit genereert. Evenmin beschikt verdachte over een vermogen. Het in de woning van verdachte aangetroffen contante geldbedrag kan dan ook niet verklaard worden vanuit het inkomen en vermogen van verdachte. De rechtbank komt daarom bij gebrek aan enige verklaring tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen contante geld – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte op de hoogte is geweest van deze herkomst. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte dit geldbedrag heeft verdiend uit eigen misdrijf, zoals door de raadsman naar voren is gebracht. Niet duidelijk is uit welk gronddelict het geld van verdachte is verkregen, zodat de rechtbank uitgaat van geld verkregen uit enig misdrijf Overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij het witwassen geen sprake is geweest van medeplegen, verdachte wordt daar dan ook partieel voor vrijgesproken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Ten aanzien van feit 1 op 2 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 339,60 gram cocaïne en 47 gram MDMA; Ten aanzien van feit 2 op 2 april 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Sten, type MK Il, kaliber 9x19mm en een pistoolmitrailleur, van het merk Uzi, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren; en een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9x17 mm en een pistool, van het merk CZ, type Scorpion EVO 3 S1, kaliber 9x19mm enmunitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van die wet, te weten kogelpatronen, kaliber 9x19mm en .38 Special en357 Magnum en 7.62x39mm en/of 9x19mm en 357 Magnum en 380 auto enbussen pepperspray, zijnde voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) enonderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 en/of artikel 3 lid 1, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie II onder 1 en/of 2 van de Wet wapens en munitie, te weten patroonmagazijnen, zijnde onderdelen/hulpstukken die specifiek bestemd zijn en/of van wezenlijke aard zijn, voor een automatisch aanvalsgeweer van het merk: Kalasjnikov, kaliber: 7.62x39mm voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van feit 3 op 2 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 6.450 gram hennep; Ten aanzien van feit 4 op 2 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk 244 stuks knalvuurwerk (Super Cobra's), voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van feit 5 op 2 april 2025, te Amsterdam, een geldbedrag van (in totaal 16.169,20 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. 6Strafbaarheid van de feiten De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.
- Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. 8.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf aansluiting te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name met de verstrekkende gevolgen die deze strafzaak voor verdachte en zijn familie heeft. De woningen van zowel verdachte als zijn vader (medeverdachte) zijn door de gemeente ontruimd. 8.
- Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs en hennep, verschillende vuurwapens met bijhorende munitie, een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en een groot contant geldbedrag afkomstig uit misdrijf. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij zich heeft ingelaten met de criminele wereld van drugs en wapens Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van deze vormen van criminaliteit en de overlast voor de maatschappij en de gevaren voor de volksgezondheid die dit met zich brengt. Deze feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 juni
- Hieruit blijkt dat verdachte langer geleden, in 2014, is veroordeeld tot het betalen van een geldboete in verband met overtreding van de Opiumwet. Hoewel dit dus niet de eerste keer is dat verdachte in aanraking komt met politie en justitie in verband met de Opiumwet, houdt de rechtbank hier gezien het lange tijdsverloop geen rekening mee bij het bepalen van de straf. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 september 2025 over verdachte. Hierin leest de rechtbank dat verdachte heeft verklaard zich te hebben ingelaten met de handel in drugs en veel spijt te hebben van de beslissingen die hij heeft genomen, met name vanwege de consequenties die deze beslissingen nu voor zijn ouders hebben. Dit heeft verdachte ter terechtzitting tegenover de rechtbank herhaald. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat interventies en toezicht niet nodig zijn. De reclassering acht verdachte in staat om na detentie zelfstandig te re-integreren, gelet op zijn zelfredzaamheid op praktisch gebied en de afwezigheid van psychische- of verslavingsproblematiek. De rechtbank volgt de reclassering in deze conclusie en ziet om diezelfde redenen geen aanleiding voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Strafoplegging Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling en de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en met name op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor de combinatie van deze feiten. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de meerdaadse samenloop die er tussen de verschillende feiten bestaat, waarbij de rechtbank het geheel aan strafbare feiten ziet als één geheel in de zin van een criminele levensstijl. De rechtbank maakt daarom, anders dan de officier van justitie, geen optelsom van de straffen die per misdrijf als vertrekpunt gelden en neemt als uitgangspunt dat de uiteindelijke straf proportioneel moet zijn aan wat het totaalbeeld van de misdrijven is. Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. 9Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897); 1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909); 890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899); 9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922); 670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917); 1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904); 29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926). Nu met behulp van deze goederen, zijnde het inbeslaggenomen geld, het bewezen geachte witwassen is begaan, dient dit geld verbeurd te worden verklaard. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 26 en 55 Wet wapens en munitie, 1.2.2 Vuurwerkbesluit, 9.2.2.
- Wet milieubeheer en 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 2 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2, meermalen gepleegd; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, onderdeel 1, meermalen gepleegd; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 3 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Ten aanzien van feit 4 overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan; Ten aanzien van feit 5 witwassen. Verklaart het bewezene strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Verklaart verbeurd: 1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897); 1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909); 890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899); 9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922); 670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917); 1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904); 29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926). Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiewel, voorzitter mrs. B. Kuppens en M. Smayel, rechters in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober
- [---] [---] [---] [---] [---] [---] [---] [---] [---] [---]