RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/998 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 in de zaak tussen [verzoekers] , uit Bilthoven, verzoekers (gemachtigde: mr. G.M.L.G. Marell), en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 2 januari 2024 (de uitspraak op bezwaar, inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting). Zij hebben het beroep ingetrokken naar aanleiding van het verweerschrift van de heffingsambtenaar van 29 oktober
- De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat hij van mening is dat er geen recht op een proceskostenvergoeding voor het beroep bestaat, omdat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in beroep niet is vernietigd vanwege een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.
- De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is de heffingsambtenaar aan verzoekers tegemoetgekomen?
- De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoekers is tegemoetgekomen.
- Op 19 januari 2024 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, waarin het bezwaar van verzoekers ongegrond is verklaard. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift van 29 oktober 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd, omdat N. van Wensveen na het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is overleden. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekers.
- Onverplicht en uit coulance tegemoetkomen levert in beginsel geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een proceskostenveroordeling achterwege moet blijven. Daarbij is van belang dat de heffingsambtenaar in dit geval ook tijdens de bezwaarprocedure al op de hoogte was van het feit dat N. van Wensveen was overleden. Het beroep had voorkomen kunnen worden, als de heffingsambtenaar reeds in bezwaar tegemoetgekomen was. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar daarom in de kosten van het beroep. Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan verzoekers vergoeden?
- De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
- Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,5 toegepast. In bezwaar is niet om een proceskostenvergoeding gevraagd. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 437,
- Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
- De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekers. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari
- griffier rechter de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Berekening: 0,5 maal € 875,-. Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.