← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:8603

RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken locatie Amsterdam zaaknummer / rekestnummer: C/13/722327 / FA RK 22-5472 es C/13/731036 / FA RK 23-1758 hv/veve C/13/769514 / FA RK 25-3777 vervangende toestemming reizen (DIG) Beschikking d.d. 8 oktober 2025 betreffende de echtscheiding, de nevenvoorzieningen en het geschil betreffende de uitoefening van het gezag in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, voorheen als advocaat mr. H Loonstein, thans als advocaat mr. M.L. Hamburger, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. F.J. Donze, 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure inzake de echtscheiding, de nevenvoorzieningen en het geschil inzake de uitoefening van het gezag blijkt uit: - de tussenbeschikking van 27 juli 2023 inzake de echtscheiding en de nevenvoorzieningen; - het verzoekschrift inzake een geschil omtrent het gezamenlijk gezag (1:253a BW), ingekomen ter griffie op 19 mei 2025; - het verweerschrift van de vrouw inzake het geschil gezamenlijk gezag tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek, met producties, ingekomen 10 juni 2025; - het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) van 18 maart 2024, bij de rechtbank ingekomen op 18 maart 2024. 1.1.1. Na de mondelinge behandeling van 13 juli 2023 zijn daarnaast binnengekomen: - de akte met bijgevoegde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, ingediend door mr. Loonstein op 19 juli 2023; - de reactie van mr. Donze op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, ingekomen op 26 juli 2023 - de nadere uitlating van mr. Donze ten aanzien van de kinderalimentatie, partneralimentatie en het huwelijksvermogen met in het bijzonder de vragen ten aanzien voor het IJI, ingekomen op 24 augustus 2023; - de akte uitlating van mr. Loonstein ten aanzien van de vragen voor het IJI, ingekomen op 23 augustus 2023; - producties 1 tot en met 6 van mr. Donze, binnengekomen op 4 juni 2025; - producties 1 tot en met 8 van mr. Hamburger, ingekomen op 12 juni 2025. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. M.L. Hamburger, en een tolk in de Hebreeuwse taal; de man, bijgestaan door mr. F.J. Donze en een tolk in de Franse taal. 1.3. De beschikking betreffende de echtscheiding is ingeschreven op 9 augustus 2023. 1.4. De rabbinale echtscheiding is tussen partijen uitgesproken. 2De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 27 juli 2023 beslist op de verzoeken ten aanzien van de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en het huurrecht. De verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie, partneralimentatie, de Ketubah en het huwelijksvermogen zijn aangehouden in afwachting van het advies van het IJI en de door partijen zelf in te brengen adviezen en uitspraken, voor zover ziende op het Israëlische huwelijksvermogensrecht. 2.2. Vervangende toestemming reizen 2.2.1. De vader verzoekt de rechtbank: - hem in plaats van de toestemming van de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , te reizen naar [plaats] (Griekenland) te reizen en daar te verblijven in de periode van [datum 1] tot en met [datum 2] 2025. 2.2.2. De moeder heeft haar bezwaren tegen de reis ingetrokken en bij verweerschrift haar toestemming verleend voor de reis naar Griekenland. Zij verzoekt bij zelfstandig verzoek: - dat de man zijn toestemming verleend (sic) aan de vrouw om met [minderjarige 3] af te reizen naar België zoals vermeld op het reisformulier; - alsmede te bepalen dat de man het paspoort van [minderjarige 3] afgeeft bij zijn terugkomst uit Griekenland op [datum 2] 2025. 2.2.3. Partijen hebben ter zitting de verzoeken ten aanzien van de vervangende toestemming tot reizen ingetrokken, nu zij tot een oplossing in overleg zijn gekomen. De rechtbank hoeft hierop derhalve niet meer te beslissen. 2.3. Onderhoudsbijdrage(

  1. n)2.3.1. De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling thans nog voorliggen de verzoeken zoals gedaan door de vrouw op 5 september 2022, bij haar inleidende verzoekschrift tot echtscheiding en het treffen van nevenvoorzieningen. De man heeft verweer gevoerd op deze verzoeken. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 2.3.2. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie) van € 522,00 per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 5.525,28 per maand vast te stellen. 2.3.3. De man heeft na wijziging van zijn verweer verzocht een door hemzelf te betalen bijdrage te bepalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 110,- per maand voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De rechtbank begrijpt het verweer van de man aldus dat hij zich primair op het standpunt stelt dat geen bijdrage voor de kinderen en de vrouw bepaald wordt en subsidiair bovenstaande bijdrage bepaald wordt. Rechtsmacht en toepasselijk recht 2.3.4. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen. 2.3.5. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 2.3.6. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. 2.3.7. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigden gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Standpunt vrouw 2.3.8. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het besteedbaar inkomen van het gezin ten minste een bedrag van € 6.000,- netto per maand bedroeg. Alleen de man had inkomen, zijzelf niet want zij zorgde voor de kinderen en het huishouden. De man had en heeft een hoog inkomen, zo heeft hij meerdere dienstbetrekkingen (tegelijkertijd (gehad)) en is er sprake van vermogen en/of zwarte inkomsten. De man heeft in de jaren voor de echtscheiding veel cash omhanden gehad, aldus de vrouw, reden waarom zij uitgaat van een sterke financiële positie aan de kant van de man. 2.3.9. Ten aanzien van haar eigen inkomenspositie heeft de vrouw gesteld dat sprake was een van een klassieke taakverdeling, waardoor zij niet werkte gedurende het huwelijk. Verder heeft de vrouw aangegeven dat in het huwelijk sprake was van huiselijk geweld, (ook) in mentale zin. Deze factoren belemmeren haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De vrouw heeft gesteld dat zij per september 2022 een bedrag van € 1.200,- per maand zal gaan verdienen. 2.3.10. De vrouw heeft gesteld dat de behoefte van de kinderen 29% van het NBI bedraagt, zijnde € 1.740,- per maand. Zij handhaaft het door haar verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie. 2.3.11. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt volgens de berekening van de vrouw € 4.905,- netto per maand (de vrouw verwijst hiervoor naar haar productie 8, zijnde de door haar opgestelde behoeftelijst). De vrouw stelt dat zij zelf kan voorzien in haar behoefte met een bedrag van € 1.200,- netto per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 3.705,- netto per maand. Volgens de vrouw is de draagkracht van de man toereikend om in haar bruto behoefte van € 5.525,58 per maand te voorzien. 2.3.12. Op de mondelinge behandeling van 16 juni 2025 heeft de huidige advocaat van de vrouw verwezen naar de stellingen van haar voorganger, gehandhaafd wat deze naar voren heeft gebracht en namens de vrouw het verzoek om een bijdrage gehandhaafd. De advocaat heeft voor de draagkracht van de man aangevoerd dat er uitgegaan dient te worden van het huidige inkomen van de man samen met zijn inkomen uit loondienst bij [naam BV] . Standpunt man 2.3.13. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw. De man heeft naar voren gebracht dat er ten aanzien van de situatie van partijen en hun kinderen inmiddels zoveel is veranderd dat de grondslagen voor de verzoeken zijn komen te vervallen, zo die er al waren. Van de kinderen woont alleen [minderjarige 3] nog één week per twee weken bij de vrouw, de rest van de tijd draagt de man alleen de zorg voor de kinderen en voldoet hij de kosten. De vrouw heeft haar verzoeken niet onderbouwd, dan wel komt zij met door de tijd achterhaalde standpunten, aldus de man. De man heeft enkel inkomen vanuit zijn huidige werkgever en hij betwist dat er nog andere inkomens- of vermogensbronnen zijn. De man stelt dat het aan de vrouw is om eerst haar situatie inzichtelijk te maken, maar zij heeft nagelaten haar stellingen te onderbouwen. 2.3.14. De man betwist hetgeen de vrouw heeft gesteld over het huiselijk geweld dan wel dat de vrouw door hem beperkt zou zijn geweest in haar mogelijkheden buitenshuis. De man stelt dat hij tijdens het samenzijn van partijen juist graag wilde dat de vrouw zou gaan werken, omdat partijen niet van alleen zijn inkomen konden rondkomen. De vrouw wenste dit niet, hetgeen zorgde voor wrijving tussen partijen. 2.3.15. De man stelt zich verder op het standpunt dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij haar verdiencapaciteit benut. De vrouw werkt volgens de man als zelfstandig ondernemer, als (docent-)fotograaf en zij verkoopt kunst en NFT, maar geeft geen inzage in deze inkomsten. De vrouw kan in ieder geval meer verdienen dan zij nu op papier laat zien. De vrouw heeft haar netto aanvullende behoefte daarmee niet onderbouwd. De man stelt zich verder op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. Inhoudelijke beoordeling 2.3.16. De rechtbank overweegt over de verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie als volgt. Sinds het indienen van het verzoek van de vrouw in 2022 is er veel veranderd in de situatie van de kinderen en van partijen. De kinderen wonen inmiddels bijna volledig bij de man en hij draagt ook het leeuwendeel van de kosten. De kinderen zijn daarnaast van een leeftijd dat zij niet meer de gehele dag zorg en begeleiding van hun vader dan wel moeder nodig hebben. De man werkt nog enkel in loondienst en heeft al geruime tijd zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer gestaakt. Tussen partijen zijn in de afgelopen drie jaar meerdere procedures betreffende de (wijziging van
  2. de)voorlopige voorzieningen geweest, waarbij veel van deze kwesties omtrent de gewijzigde woonsituatie van de kinderen en de financiën van partijen zijn uitgewerkt. De draagkrachtberekeningen in die procedures zijn aangepast aan de veranderde situatie en de onderhoudsverplichtingen zijn in lijn daarmee gewijzigd. Van de vrouw had verwacht mogen worden dat zij in ieder geval de daar tot uitgangspunt genomen (gewijzigde) feiten en omstandigheden zou adresseren bij de handhaving van haar verzoek. Zo heeft de man sinds 2022 meermaals gewezen op de gebrekkig onderbouwing van haar eigen financiële situatie en de steeds meer toegenomen mogelijkheden om inkomen te verwerven, mede met het oog op de gewijzigde verdeling van de zorgtaken, maar de vrouw heeft haar stellingen hier in het geheel niet op aangepast. De vrouw heeft in deze bodemprocedure volstaan met het verwijzen naar de stellingen en stukken bij haar inleidende verzoek uit 2022. Gezien het hiervoor overwogene geeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor het bepalen van enige bijdrage aan de vrouw, voor haarzelf dan wel voor de zorgkosten voor [minderjarige 3] in de week dat hij bij haar is. 2.3.17. De rechtbank benoemt in het kader van het voorgaande specifiek dat het door de vrouw enkel overleggen van de aangifte IB over 2024 en een losse Btw-aangifte zonder daaraan enige stelling over de feiten te verbinden, onvoldoende is. Ook het op de mondelinge behandeling van 16 juni 2025 bepleiten dat de man twee werkgevers heeft terwijl in rechte geruime tijd eerder is bepaald dat er geen sprake (meer) is van een dienstverband bij [naam BV] geeft ruis voor de beoordeling en verstoort de reeds broze verhoudingen van partijen nog meer. Ook de herhaalde blote (betwiste) stellingen dat de man of zijn familie zeer vermogend zijn, dragen in deze niet bij aan het debat over de verdeling van kosten voor de kinderen en de mate waarin de vrouw nog een beroep kan doen op de man voor haar eigen levensonderhoud. 2.3.18. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat, in het licht van de verweren van de man over de huidige (financiële) omstandigheden van partijen en de kinderen, de verzoeken van de vrouw integraal afgewezen dienen te worden. 2.4. Afwikkeling van het huwelijkse vermogen / Ketubah 2.4.1. De rechtbank heeft de vragen over de uitleg van zowel het huwelijksvermogensrecht naar Israëlisch recht als de Ketubah aan het IJI voorgelegd. Het IJI heeft in haar rapportage antwoord gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen. 2.4.2. Partijen hebben beiden nadere rapportage/adviezen ingebracht, met andersluidende conclusies over het Israëlische recht en de uitleg daarvan in de zaak van partijen. De rechtbank stelt vast dat partijen ieder aan hun deskundigen een ander feitencomplex gepresenteerd hebben, wat tot uitgangspunt is genomen voor de beantwoording van de vragen. Beide bronnen zijn naar het oordeel van de rechtbank derhalve dermate gekleurd dat behoedzaam met het gebruik daarvan omgegaan dient te worden. De rechtbank zal voor de uitleg van het vreemde recht daarom hoofdzakelijk aansluiten bij de informatie en conclusies zoals opgenomen in het IJI-rapport van 18 maart 2024. Verder heeft mr. Loonstein na de beschikking van 27 juli 2023 een beschikking in het geding gebracht van de rechtbank Rotterdam, in welke zaak de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen beheerst werd door het Israëlische recht. Daarnaast is een summier rapport van het IJI van 3 oktober 2017 met uitleg over het Israëlische recht overgelegd, welk rapport toegespitst was op die betreffende situatie en het daarmee beperkt bruikbaar maakt in deze zaak. 2.4.3. Uit de in deze zaak uitgebrachte rapportage van het IJI blijkt het volgende. (…) “Het Israëlische huwelijksvermogensrecht betreft seculier recht en is neergelegd in de Spouses Property Relations Law, 5733-1973 en deels in de Law on Equal Rights for Women of 5711/1951. The Spouses Property Relations Law (hierna: Property Act) is van toepassing op alle echtgenoten die op of na 1 januari 1974 in het huwelijk zijn getreden. Bij gebreke aan huwelijkse voorwaarden, geldt het wettelijk huwelijksvermogensstelsel zoals neergelegd in hoofdstuk 2 van de Property Act. Dit huwelijksvermogensstelsel houdt in dat op grond van artikel 4 Property Act gedurende huwelijk een strikte scheiding van goederen bestaat. Dat het huwelijk geen vermogensrechtelijke gevolgen met zich brengt, geldt echter alleen voor de vermogensrechtelijke verhouding van de echtgenoten tijdens het huwelijk. “ “ 2. In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden vindt op grond van artikel 5 Property Act een verevening van de waarde van alle goederen die tijdens het huwelijk zijn verworven plaats. Beide echtgenoten hebben dus recht op de helft van de waarde van het gehele ‘huwelijksvermogen’. Op grond van artikel 5 Property Act wordt het huwelijksvermogen gevormd door alle goederen die zijn verkregen tijdens het huwelijk door (een van) de echtgenoten, met uitzondering van onder meer voorhuwelijksvermogen, schenkingen en erfenissen.“(…) (…) De peildatum voor het bepalen van de omvang en de waarde van het huwelijksvermogen is in beginsel de datum van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. De echtgenoten hebben in beginsel allebei recht op de helft van de waarde van het huwelijksvermogen, tenzij de rechter een andere verhouding vaststelt. Indien sprake is van een negatief huwelijksvermogen, dragen de echtgenoten ook daarin in gelijke mate. 3. Op grond van artikel 4 lid 3 in samenhang met artikel 827 lid 1 onder g Rv is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de vrouw ten aanzien van de Ketubah. Op basis van de Nederlandse rechtspraak kan worden gesteld dat de aanspraak op de Ketubah som moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak tot stand is gekomen. De aanspraak op de Ketubah is tot stand gekomen naar Joods recht, zodat Joods recht daarop van toepassing is. 4. In het huwelijkscontract is het bedrag opgenomen dat de man aan de vrouw moet betalen na het einde van het huwelijk. Het bedrag wordt meestal bepaald door de echtgenoot. Oorspronkelijk moest de vrouw financieel worden beschermd tegen lichtvaardige eenzijdige echtscheiding door de man. Na de invoering van het wettelijke verbod om tegen de wil van de vrouw te scheiden, is deze functie van de Ketubah grotendeels achterhaald. Ondanks dit gegeven moet de man de vrouw het bedrag betalen dat in de Ketubah is vastgesteld in geval van een echtscheiding. Het betreft een schuld van de man aan de vrouw. De Ketubah som mag niet meer bedragen dan 1 miljoen nieuwe Israëlische Shekels. De rechter heeft discretionaire ruimte om het bedrag in de Ketubah te verlagen. De financiële omstandigheden van de man spelen daarbij geen rol. Hetgeen de vrouw echter zal ontvangen uit de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht kan wel van invloed zijn op de hoogte van de Ketubah som en aanleiding geven het bedrag te verlagen. Daarnaast speelt schuld aan de echtscheiding ook een rol bij de aanspraak op de Ketubah. Er zijn geen richtlijnen voor aanpassing van de Ketubah som in geval van geschil. Dit is overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter. 5. Tijdens het Joodse huwelijk is de man onderhoudsplichtig ten opzichte van zijn echtgenote. Deze wettelijke onderhoudsverplichting komt na de echtscheiding te vervallen. Er is dus naar Joods recht geen wettelijke basis voor toekomstige periodieke alimentatiebetalingen, tenzij partijen een alimentatieovereenkomst overeenkomen. Nu naar Joods recht geen onderhoudsverplichting jegens ex-echtgenoten bestaat, kan dit vanzelfsprekend geen rol spelen bij geschillen over de hoogte van de Ketubah som. De Ketubah som is echter wel bedoeld om de vrouw na de echtscheiding financiële bescherming te bieden. De Ketubah som betreft een compensatie voor de echtscheiding. Wij menen hieruit af te kunnen leiden dat de Ketubah som dus wel voorziet in een vergelijkbaar doel als partneralimentatie, hoewel de Ketubah som niet uitsluitend het karakter van partneralimentatie draagt. Wij kunnen ons voorstellen dat nu, partneralimentatie en de Ketubah som deels hetzelfde doel dienen, bij de aanspraak op de Ketubah som rekening wordt gehouden met het bedrag aan partneralimentatie dat de man eventueel zal betalen, dan wel dat bij het bepalen van de partneralimentatie rekening wordt gehouden met de verplichtingen van de man uit hoofde van de Ketubah. (…) (…) Naar het Joodse recht betreft de ketubah dus een ‘compensatie voor de echtscheiding’. De correspondent geeft in haar aanvullende rapport op pagina 2 aan dat de Ketubah tussen het huwelijksvermogensrecht en alimentatie in ligt en een contractuele verplichting betreft. Over de exacte kwalificatie bestaat in Israël geen overeenstemming. (…) (...) 27. Zoals voormeld, wordt in het huwelijkscontract het bedrag opgenomen dat de man aan de vrouw moet betalen na het einde van het huwelijk. Het bedrag wordt meestal bepaald door de echtgenoot. Oorspronkelijk moest de vrouw financieel worden beschermd tegen lichtvaardige eenzijdige echtscheiding door de man. Na de invoering van het wettelijke verbod om tegen de wil van de vrouw te scheiden, is deze functie van de Ketubah grotendeels achterhaald. Ondanks dit gegeven moet de man de vrouw het bedrag betalen dat in de Ketubah is vastgesteld in geval van een echtscheiding. Veel mensen zijn zich hier niet van bewust als ze trouwen. Het gaat dus bij de Ketubah som vaak om onbetaalbare bedragen. De betekenis van de Ketubah som wordt dus steeds meer in twijfel getrokken. Om dit tegen te gaan, heeft het Opperrabbinaat in Jeruzalem beslist dat het bedrag dat in de Ketubah is vastgesteld, niet hoger mag zijn dan 1 miljoen Israëlische nieuwe shekels. Bovendien moeten de toekomstige echtgenoten goed worden geïnformeerd over de betekenis van de Ketubah.18 Dit wordt bevestigd door de correspondent in de legal opinion. (…) (…) Naar Joods recht wordt het door partijen overeengekomen bedrag als acceptabel beschouwd. 29. Het voormelde neemt niet weg dat de rechter alsnog discretionaire bevoegdheid heeft om de hoogte van de Ketubah som aan te passen. Hiervoor bestaan geen richtlijnen. Beslissingen van de religieuze rechtbanken scheppen geen precedentenwerking en binden niet andere religieuze rechtbanken. De Ketubah som betreft een in het huwelijkscontract overeengekomen schuld van de man aan de vrouw waarop zij recht heeft in geval van echtscheiding. De man dient deze verplichting in beginsel na te komen. Bij de betaling van de Ketubah som spelen de financiële omstandigheden van de man dan ook geen rol. Het gebrek aan financiële middelen of draagkracht aan de zijde van de man vormen geen aanleiding om de Ketubah som te verlagen. Wel kan de rechter bij geschillen over de hoogte van de Ketubah som meewegen het bedrag dat de vrouw uit de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht zal ontvangen. De rechter heeft de discretionaire ruimte om op basis van de feiten en omstandigheden van het geval te oordelen wat een billijke uitkomst is. Indien de vrouw (aanzienlijk) vermogen op grond van de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht zal ontvangen, zal de rechter dat als grond kunnen beschouwen om de Ketubah som te verlagen. Daarnaast kan ook ‘schuld’ een overweging zijn om het bedrag in de Ketubah aan te passen. Indien de man schuld heeft aan de echtscheiding op religieuze echtscheidingsgronden zal hij het volledige bedrag moeten voldoen. Indien de vrouw schuld heeft aan de echtscheiding op religieuze echtscheidingsgronden, dan zal de vrouw geen aanspraak kunnen maken op de Ketubah som. In de gevallen waarin de vrouw om een echtscheiding verzoekt wegens duurzame ontwrichting kan het zo zijn dat de vrouw haar aanspraak op de Ketubah som (deels) verliest. Ook dit is aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter. Een vrouw zal haar aanspraak evenwel niet snel verliezen, indien de echtscheiding aan de man is te wijten. Daarbij gaat het niet per se om religieus verwijtbaar handelen. Zie hiervoor de aanvullende legal opinion van de correspondent onder randnummer 7. 30. De Ketubah som wordt opeisbaar bij religieuze ontbinding van het huwelijk. In de onderhavige kwestie begrijpen wij dat het huwelijk van partijen medio juli 2023 op religieuze wijze is ontbonden. Naar Nederlands recht is op 27 juli 2023 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 9 augustus 2023 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de rechtspraak en literatuur bestaat geen overeenstemming over het omrekenen van de valuta en naar welke peildatum dit dient te geschieden. Het bepalen van de peildatum voor het omrekenen van de Ketubah som ligt binnen de discretionaire ruimte van de rechter. Het ligt evenwel wellicht voor de hand om aan te sluiten bij de datum van de religieuze echtscheiding, omdat de Ketubah som dan opeisbaar wordt. Het is mogelijk om te bepalen dat de Ketubah som in termijnen wordt betaald. (…) (…) 31. Het verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensrecht kan van invloed zijn op de hoogte van de Ketubah som. De Ketubah som heeft dus geen invloed op het de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht, maar de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht kan wel invloed hebben op de hoogte van de Ketubah som. De rechter dient alle feiten en omstandigheden in ogenschouw te nemen en naar het totaalbeeld te kijken. Er dient sprake te zijn van een billijke uitkomst. Indien de vrouw (aanzienlijk) vermogen ontvangt uit de verdeling op grond van het huwelijksvermogensrecht, dan kan dat aanleiding zijn om de Ketubah som te verlagen. 32. De correspondent geeft aan dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen geen rol speelt ten aanzien van de Ketubah som. De man heeft een onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen naar Joods recht en een verplichting jegens zijn ex-echtgenote op grond van de Ketubah. De rechten van de vrouw op de Ketubah worden niet beïnvloed door andere schulden van de man. 33. Tijdens het Joodse huwelijk is de man onderhoudsplichtig ten opzichte van zijn echtgenote. Deze wettelijke onderhoudsverplichting komt evenwel na de echtscheiding te vervallen. Er is dus naar Joods recht geen wettelijke basis voor toekomstige periodieke alimentatiebetalingen, tenzij partijen een alimentatieovereenkomst overeenkomen. Nu naar Joods recht geen onderhoudsverplichting jegens ex-echtgenoten bestaat, kan dit vanzelfsprekend geen rol spelen bij geschillen over de hoogte van de Ketubah som. De Ketubah som is echter wel bedoeld om de vrouw na de echtscheiding financiële bescherming te bieden. De Ketubah som betreft een compensatie voor de echtscheiding. Wij menen hieruit af te kunnen leiden dat de Ketubah som dus wel voorziet in een vergelijkbaar doel als partneralimentatie, hoewel de Ketubah som niet uitsluitend het karakter van partneralimentatie draagt. Wij kunnen ons voorstellen dat nu, partneralimentatie en de Ketubah som deels hetzelfde doel dienen, bij de aanspraak op de Ketubah som rekening wordt gehouden met het bedrag aan partneralimentatie dat de man eventueel zal betalen, dan wel dat bij het bepalen van de partneralimentatie rekening wordt gehouden met de verplichtingen van de man uit hoofde van de Ketubah. Dit kan immers van invloed zijn op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Hierover is evenwel geen rechtspraak in Israël. (…) 2.4.4. Het IJI heeft voor het beantwoorden van de vragen over de Ketubah en het huwelijksvermogensrecht in Israël een correspondent geraadpleegd, die op 1 maart 2024 aanvullende vragen heeft beantwoord. Daaruit haalt de rechtbank onder meer het navolgende. (…) On top of this, there might be a “Tosefet Ketubah” (literally: Ketubah addition), which is the sum that the husband commits atop this amount. Jewish law defines this part of the Ketubah as “compensation for divorce”, which is something between matrimonial property and settlement of maintenance duties, and the exact classification is debated amongst sources (see Dichovsky, id, p. 33). Beyond this, Jewish law does not have a maintenance obligation after divorce.(…) Bevoegdheid en toepasselijk recht 2.4.5. Nu de rechtbank bevoegd is van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen, bestaat ook bevoegdheid ten aanzien van het verzoek ten aanzien van het huwelijks-vermogen. De rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de Ketubah gezien de nauwe samenhang tussen dit aspect van het huwelijkse (religieuze) contract, de echtscheiding en de overige verzoeken die binnen deze procedure zijn gedaan. Ook gezien de aard van de vordering acht de rechtbank zich bevoegd van de vordering kennis te nemen, nu de vordering zijn grondslag heeft in de eenzijdige rechtshandeling van de man bij het aangaan van het huwelijk, waardoor puur binnen het kader van dat huwelijk een aanspraak van de vrouw jegens hem ontstaat en derhalve sprake is van voldoende samenhang met de echtscheiding. De man heeft weliswaar gesteld dat de behandeling van het verzoek is voorbehouden aan de rabbinale rechtbanken maar daar vindt de rechtbank geen aansluiting voor in de gegeven adviezen en de daarin aangehaalde wetgeving. Voor hetgeen de man stelt kan in de juridisch procedurele inrichting van de echtscheiding in Israël voldoende aansluiting in het recht gevonden worden, nu in Israël het verzoek tot echtscheiding en aanverwante verzoeken zoals de Ketubah zijn voorbehouden aan de rabbinale rechtbanken. In Nederland daarentegen is dit niet het geval, nu deze onderwerpen behoren tot de jurisdictie van de civiele rechtbank. Verder is niet gebleken dat de aanspraak van een vrouw op haar Ketubah zijn gelding verliest indien deze (buiten Israël) wordt behandeld door een andere rechtbank dan een rabbinale rechtbank. Daarbij betrekt de rechtbank dat er volgens de IJI rapportage geen obstakels te verwachten zijn voor de erkenning dan wel executie van een buitenlandse rechterlijke (civiele) beslissing ten aanzien van de Ketubah in Israël, ook al is in Israël voorgeschreven dat deze zaken bij de rabbinale rechtbanken worden aangebracht. 2.4.6. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn in Israël met elkaar gehuwd en hebben de Israëlische nationaliteit gemeenschappelijk. Op grond van het Haags huwelijksvermogensverdrag van 1978 is het Israëlische recht van toepassing op de verzoeken van partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht, zoals ook al eerder tot uitgangspunt is genomen bij het indienen van de vragen bij het IJI. Voor zowel de beoordeling van de afwikkeling van het huwelijksvermogen als de Ketubah. Afwikkeling huwelijks vermogen 2.4.7. De rechtbank behandelt eerst het verzoek van de vrouw ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijkse vermogen. 2.4.8. Uit de door het IJI en de overige geraadpleegde experts ingediende adviezen en conclusies maakt de rechtbank op dat enkel het gedurende het huwelijk opgebouwde vermogen tot het te verrekenen vermogen behoren. Eventueel vermogen van vóór het huwelijk, dan wel vermogen behorende tot de families van partijen behoren niet tot het te verdelen vermogen. 2.4.9. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat tot het huwelijkse vermogen van partijen behoort. Tussen partijen staat vast dat de peildatum voor het bepalen van de omvang van de tot de verrekening behorende vermogen de datum van echtscheiding is. In dit geval is dat derhalve de datum van inschrijving van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 9 augustus 2023. 2.4.10. Bij inleidend verzoekschrift van 7 september 2022 heeft de vrouw gesteld dat in de vermogensoverheveling de volgende vermogensbestanddelen dienen te worden betrokken: - de echtelijke huurwoning te [woonplaats] aan de [adres] ; - inboedel van de echtelijke huurwoning te [woonplaats] ; - de waarde van [bedrijf] , de eenmanszaak van de man en de daarbij horende bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] . - bankrekening bij de ABN-AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 2] , met, naar de rechtbank begrijpt een overzicht van de transacties in de daarvoor gelegen maanden - de bankrekening van de man met nummer [rekeningnummer 3] ; - spaargelden, die partijen al hadden voordat zij naar Nederland kwamen. 2.4.11. De man heeft in zijn verweerschrift van 15 november 2022 gesteld dat tot het te verrekenen vermogen behorende bestanddelen zijn: - het saldo van de privé bankrekening van de man; - het saldo van de zakelijke bankrekening van de man; - de waarde van de onderneming van de man, als die niet negatief is; - de inboedel van de echtelijke woning. 2.4.12. Bij aanvullend verweerschrift van 30 juni 2023 heeft de man gesteld dat de navolgende bestanddelen tot het huwelijksvermogen behoren. - de eenmanszaak van de man ( [bedrijf] ), waarde nihil - ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijf] saldo € 2.097,05 - ABN-AMRO rekening me nummer [rekeningnummer 2] t.n.v. de man saldo € 1.080,93 - de eenmanszaak van de vrouw (incl. apparatuur) waarde € 10.000,00 - Israël bankdiscount (sic) met nummer [rekeningnummer 4] van de vrouw, saldo € P.M. - Israël gezamenlijke rekening met nummer [rekeningnummer 5] saldo € P.M. - Bunqbank rekening [rekeningnummer 6] saldo € P.M. - Bunqbankrekening nummer eindigend op [rekeningnummer 7] € P.M. - waarde levensverzekering en beleggingsrekening(
  3. en)Israël € P.M. - waarborgsom huurovereenkomst echtelijke woning, waarde € 5.850,- - inboedel echtelijke woning, waarde € 5.000,- - 2 Peugeot scooters (in bezit man), waarde € 800,- 2.4.13. De man heeft daarnaast melding gemaakt van nagenoemde schulden: - huurschuld echtelijke woning € 7.036,- - persoonlijke leningen man € 28.000,- - schuld Vattenfall (energie echtelijke woning) € 2.641,06. 2.4.14. Partijen hebben voor dan wel na het indienen van het rapport van het IJI geen aanvullingen meer gedaan op het voorgaande. 2.4.15. Onder verwijzing naar het onder 2.5 onder 2 van deze beschikking benoemde uitgangspunt dat de peildatum is gelegen op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk, welk uitgangspunt partijen zich eigen hebben gemaakt, hadden partijen derhalve een overzicht moeten maken van de bestanddelen die op de peildatum nog aanwezig waren, onder vermelding van de waarde waartegen de bestanddelen in de verdeling/verrekening betrokken moeten worden. Partijen hebben dit beiden nagelaten. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat niet vast te stellen is wat het huwelijkse vermogen is dat partijen te verdelen/verrekenen hebben. Zelfs indien de rechtbank de eerder door de vrouw en de man genoemde bestanddelen tot uitgangspunt zou nemen, zou door een gebrek aan kennis omtrent de waarde op peildatum het voor de rechtbank onmogelijk zijn de verrekensom vast te stellen. Van belang daarbij is ook dat de man melding maakt van schulden, welke schulden, indien deze zouden komen vast te staan, eerst van een eventueel positief vermogen afgetrokken moeten worden, alvorens de eventueel te verrekenen som kan worden vast gesteld. 2.4.16. Het voorgaande maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen of de vrouw een aanspraak heeft uit hoofde van afwikkeling van het huwelijksvermogen. Nu op de vrouw als verzoekende partij de verplichting rust om minstens feitelijk stelling in te nemen over de bij haar op de peildatum bekende bestanddelen, kan het de vrouw aangerekend worden dat de rechtbank niet tot een volwaardige beoordeling van de zaak kan komen en wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af. Ketubah 2.4.17. De rechtbank beoordeelt voorts het verzoek van de vrouw ten aanzien van de Ketubah. 2.4.18. De rechtbank stelt voorop dat zij zich, op grond van de stukken in het geding en de (ingebrachte) rapportage van het IJI voldoende geïnformeerd acht om inhoudelijk te beslissen op het verzoek van de vrouw hierover. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank in het bijzonder de navolgende, reeds hierboven opgenomen overwegingen: …. Bij de betaling van de Ketubah som spelen de financiële omstandigheden van de man dan ook geen rol. Het gebrek aan financiële middelen of draagkracht aan de zijde van de man vormen geen aanleiding om de Ketubah som te verlagen. Wel kan de rechter bij geschillen over de hoogte van de Ketubah som meewegen het bedrag dat de vrouw uit de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht zal ontvangen. De rechter heeft de discretionaire ruimte om op basis van de feiten en omstandigheden van het geval te oordelen wat een billijke uitkomst is. Indien de vrouw (aanzienlijk) vermogen op grond van de verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht zal ontvangen, zal de rechter dat als grond kunnen beschouwen om de Ketubah som te verlagen. Daarnaast kan ook ‘schuld’ een overweging zijn om het bedrag in de Ketubah aan te passen. Indien de man schuld heeft aan de echtscheiding op religieuze echtscheidingsgronden zal hij het volledige bedrag moeten voldoen. Indien de vrouw schuld heeft aan de echtscheiding op religieuze echtscheidingsgronden, dan zal de vrouw geen aanspraak kunnen maken op de Ketubah som…. … 30. De Ketubah som wordt opeisbaar bij religieuze ontbinding van het huwelijk. In de onderhavige kwestie begrijpen wij dat het huwelijk van partijen medio juli 2023 op religieuze wijze is ontbonden.… … 33. Tijdens het Joodse huwelijk is de man onderhoudsplichtig ten opzichte van zijn echtgenote. Deze wettelijke onderhoudsverplichting komt evenwel na de echtscheiding te vervallen. Er is dus naar Joods recht geen wettelijke basis voor toekomstige periodieke alimentatiebetalingen, tenzij partijen een alimentatieovereenkomst overeenkomen. Nu naar Joods recht geen onderhoudsverplichting jegens ex-echtgenoten bestaat, kan dit vanzelfsprekend geen rol spelen bij geschillen over de hoogte van de Ketubah som. De Ketubah som is echter wel bedoeld om de vrouw na de echtscheiding financiële bescherming te bieden. De Ketubah som betreft een compensatie voor de echtscheiding. Wij menen hieruit af te kunnen leiden dat de Ketubah som dus wel voorziet in een vergelijkbaar doel als partneralimentatie, hoewel de Ketubah som niet uitsluitend het karakter van partneralimentatie draagt. Wij kunnen ons voorstellen dat nu, partneralimentatie en de Ketubah som deels hetzelfde doel dienen, bij de aanspraak op de Ketubah som rekening wordt gehouden met het bedrag aan partneralimentatie dat de man eventueel zal betalen, dan wel dat bij het bepalen van de partneralimentatie rekening wordt gehouden met de verplichtingen van de man uit hoofde van de Ketubah. … 2.4.19. De rechtbank stelt voorop dat met het aangaan van het huwelijk en het door de man aangaan van de verbintenissen in de Ketubah naar Israëlisch recht een zelfstandig recht voor de vrouw is ontstaan, welk recht zij onder voorwaarden kan laten gelden jegens de man. Uit de in deze zaak uitgebrachte adviezen over Ketubah maakt de rechtbank op dat de Ketubah zijn oorsprong heeft in het beschermen van de vrouw tegen willekeur en (financiële) afhankelijkheid van de man en als doel onder meer had om de vrouw tegen een lichtzinnige echtscheiding te beschermen en haar financiële positie na de echtscheiding te beschermen. De rechtbank stelt ook vast dat, juist gegeven deze achtergrond, de betekenis van de Ketubah als rechtsfiguur in beweging is, ook in Israël, nu de afhankelijkheid van de vrouw van haar man ook daar is gewijzigd door – onder andere – recentere wetswijzigingen en veranderde maatschappelijke opvattingen. Dit maakt niet dat de rechtsvorm is komen op te houden te bestaan, maar wel dat de inkleuring van de aanspraak veranderd is en dat de aanspraak geen absolute aanspraak (meer) is, zoals deze wellicht ooit wel bedoeld. Maatschappelijke ideeën over de meer en meer (financieel) zelfstandige vrouw in en na het huwelijk beïnvloeden de mate waarop aanspraak kan gedaan worden, en de mate waarin vrouwen wellicht aanspraak doen op de uitbetaling van de Ketubah. 2.4.20. De rechtbank stelt ook vast dat de som die partijen in de Ketubah afspreken los staat van enige verbinding in de werkelijkheid met de financiën van partijen (of hun families). Dit benadrukt temeer dat de Ketubah in de afgelopen eeuwen een dringend moreel aspect heeft gehad, namelijk voorkomen dat de man (lichtvaardig) zijn vrouw berooid zou achterlaten na een echtscheiding. 2.4.21. Tegen de achtergrond van voorgaande overwegingen oordeelt de rechtbank over het verzoek van de vrouw als volgt. De vrouw heeft het initiatief genomen tot de echtscheiding en geenszins is gebleken dat sprake is geweest van enige vorm van huwelijkse gevangenschap. Ook is niet gebleken dat zij voor haar verdere mogelijkheden op de arbeidsmarkt hinder heeft ondervonden door het huwelijk of het aanvragen van de echtscheiding. De vrouw heeft in deze procedure onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe haar financiële situatie er thans voor staat en wat het huwelijksvermogen van partijen omvat, dan wel wat de omvang van haar eigen vermogen is. De rechtbank heeft op die gronden dan ook haar verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie en de afwikkeling van het huwelijkse vermogen moeten afwijzen. De rechtbank kan derhalve in het geheel niet vaststellen wat de vermogensrechtelijke situatie van de vrouw is of wat haar opties zijn om inkomen te vergaren. Nu dit alle factoren zijn die van invloed zijn op het bepalen van de (omvang van
  4. de)aanspraak op het voldoen van de Ketubah, kan de rechtbank zich over het verzoek van de vrouw geen weloverwogen oordeel vormen. De rechtbank zal derhalve ook dit verzoek van de vrouw afwijzen. 2.4.22. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende op. Namens de man is op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de vrouw ook op inhoudelijke gronden geen aanspraak kan maken op betaling van de Ketubah, nu zij schuldig is aan de gronden voor de echtscheiding. Alhoewel de rechtbank erkent dat naar Israëlisch recht het handelen van beide partijen en de mate waarin dit aanleiding is voor de echtscheiding van invloed kan zijn op de (mate waarin) aanspraak (kan worden gemaakt) op de Ketubah, komt de rechtbank alleen al gezien het vorenstaande niet toe aan een oordeel over de gedragingen van partijen die tot de echtscheiding hebben geleid. 2.4.23. Tot slot heeft de vrouw in de procedure een aantal keer, zonder enige onderbouwing, melding gemaakt van zeer grote vermogens aan de kant van de man dan wel zijn familie. Anders dan de vrouw is de rechtbank hiervan op geen enkele manier gebleken en komt de rechtbank dit ook zeer onaannemelijk voor, gezien de financieel/sociaal kwetsbare positie waar de man en de kinderen zich in de afgelopen jaren in hebben bevonden. Met het oog op een eventueel door de vrouw te entameren hoger beroep tegen deze beschikking wenst de rechtbank de vrouw er daarom op te wijzen dat een immer voortdurende strijd over geldvorderingen die zeer waarschijnlijk nooit of te nimmer door de man voldaan kunnen worden, een zeer negatief effect op het welzijn van de kinderen zal hebben. Zoals ook op de mondelinge behandeling met JBRA erbij besproken, is het voor herstel van de band tussen de vrouw en de kinderen en tussen de man en de vrouw nodig dat de strijd staakt, partijen elkaar los kunnen gaan laten en kunnen gaan herstellen. Het handhaven van de vorderingen inzake de kinderalimentatie, partneralimentatie, huwelijksvermogen en de Ketubah hebben allen een averechts effect en kan een reeds beroerde situatie nog ernstig doen verslechteren. De rechtbank hoopt dat partijen zich ieder met het belang van de kinderen voor ogen kunnen gaan richten op wat in het belang van de kinderen is om verder te komen in hun ouderschap. 2.5. Daarom wordt als volgt beslist. 3De beslissing De rechtbank: 3.1. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.E. Meijer op 13 oktober 2025. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt. Artikel 827 lid 1 onder g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.