RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/3589 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. B.B.A. Willering), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M. Mulders). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een bijstandsuitkering naar de norm voor dak- en thuislozen. 1.1. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 6 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. Tegen het primaire besluit heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij deze rechtbank. Met een uitspraak van 19 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. 1.3. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2. Aan eiser is bijstand verleend, te weten vanaf 17 maart 2020 tot14 april 2023, naar de norm van alleenstaande ouder. 2.1. Op 19 januari 2024 heeft eiser een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven dat hij verblijft in een geparkeerde auto, een donkergrijze Opel Corsa met kenteken [kenteken] , op de locatie [adres] tussen 02.00 uur en 06.00 uur. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder onderzoek verricht ter controle van de woon- en leefsituatie van eiser, om vast te stellen of hij behoort tot de doelgroep dak- en thuislozen en op die grond recht heeft op bijstand. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Rapport van bevindingen aanvraag Bijzondere Doelgroepen van 6 februari 2024 (hierna: het rapport). In het rapport staat dat handhavingsmedewerkers de opgegeven locatie in totaal vijf keer hebben bezocht tussen 02:00 uur en 06:00 uur, te weten op26 januari 2024, 30 januari 2024, 1 februari 2024, 2 februari 2024 en 6 februari 2024. Verzoeker is daarbij twee keer wel (26 en 30 januari) en drie keer niet (1, 2 en 6 februari) op de genoemde locatie aangetroffen. 2.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd eiser de inlichtingenverplichting geschonden door niet op te geven waar hij feitelijk verbleef. Daardoor kon niet vastgesteld worden of eiser recht heeft op bijstand. Beoordeling door de rechtbank 3. In geschil is of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering naar de norm voor dak- en thuislozen heeft afgewezen. 3.1. De rechtbank overweegt dat een aanvrager om een bijstandsuitkering in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken waaruit diens recht op de uitkering blijkt. De aanvrager dient daarbij de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 3.2. Voor het vaststellen of een betrokkene behoort tot de bijzondere doelgroep van dak- en thuislozen, en of Amsterdam de aangewezen centrumgemeente is, gebruikt verweerder een formulier “Inlichtingen en opgave verblijfslocatie(
- s)dak- en thuisloze” (hierna: het formulier). Op het formulier dient de aanvrager te vermelden waar hij vanaf de datum van de aanvraag verblijft of zal verblijven. Op dit formulier dient de aanvrager per opgegeven adres tevens de eventuele tijdstippen van aankomst en vertrek te vermelden en het aantal nachten dat hij gemiddeld per week verblijft op dit adres. Iedere wijziging dient hij door te geven. Bij de invulling en ondertekening van het opgaveformulier wordt een en ander telkens met de aanvrager besproken en aangegeven dat deze werkwijze noodzakelijk is uit een oogpunt van efficiënte controle. Naar vaste rechtspraak is deze werkwijze niet onredelijk. 3.3. De handhavingsspecialisten hebben op basis van het door eiser ingediende en ondertekende formulier van 19 januari 2024 vijf locatiebezoeken afgelegd op de locatie waar eiser volgens zijn opgave verblijft. Eiser heeft na 19 januari 2024 niet aangegeven dat er zich een wijziging heeft voorgedaan in de opgegeven verblijfslocatie of de tijdstippen waarop hij daar verblijft. 3.4. Eiser voert aan dat hij één keer niet is aangetroffen omdat hij is weggestuurd door de politie. Bij de andere twee keren verbleef hij een paar straten verderop omdat hij niet nog een keer door de politie wilde worden weggestuurd. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij op het tijdstip dat hij is weggestuurd verweerder telefonisch niet kon bereiken om de wijziging van zijn verblijfslocatie door te geven, omdat de gemeente pas in de ochtend telefonisch bereikbaar is. 3.5. De rechtbank is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om op de door hem opgegeven verblijfplaats en tijdstippen aanwezig te zijn. De omstandigheid dat eiser verweerder ‘s nachts niet telefonisch kon bereiken, doet daar niet aan af. Eiser had verweerder ook de volgende dag nog telefonisch kunnen (proberen
- te)bereiken of hij had zich kunnen melden bij het kantoor van verweerder. Daarbij had hij kunnen uitleggen dat en waarom hij de afgelopen nacht niet had verbleven op de opgegeven locatie en eventueel dat hij van plan was de volgende nacht op een andere locatie te verblijven in verband met de eerdere politiecontrole. Dit heeft eiser niet gedaan. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de werkwijze zoals vermeld onder 3.2 specifiek is toegesneden op personen zonder vaste woon- of verblijfplaats, zoals eiser, waarmee deze personen in staat worden gesteld in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. 3.6. Verder voert eiser aan dat de handhavingsspecialisten hem hadden kunnen (video)bellen toen ze hem niet aantroffen zodat hij kon aantonen dat hij zich in de buurt van de aangegeven locatie bevond en meteen naar de door hem opgegeven locatie kon komen. Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat het geen vaste werkwijze is van de gemeente om dak- en thuislozen te bellen als deze niet worden aangetroffen op de opgegeven locatie. Uit de wet- en regelgeving omtrent bijstandsuitkering aan dak- en thuislozen vloeit niet voort dat verweerder meer maatwerk moet toepassen, aldus verweerder. 3.7. De rechtbank stelt vast dat enerzijds op verweerder de inspanningsverplichting rust om te controleren of er wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Anderzijds rust op eiser de verplichting inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen om te kunnen vaststellen of recht bestaat op bijstand. Eiser was op drie tijdstippen niet aanwezig op het moment van de controle zodat onduidelijk was waar hij verbleef. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder zijn inspanningsverplichting voldoende nagekomen door handhavingsmedewerkers in de nachtelijke uren de opgegeven verblijfplaats van eiser te laten bezoeken. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat er ook gevallen zijn waarin handhavingsmedewerkers een dak- en thuisloze bellen als zij deze niet aantreffen op de opgegeven verblijfplaats. Dat maakt evenwel niet dat verweerder in het onderhavige geval onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan of zich onvoldoende heeft ingespannen. Van eiser mocht worden gevergd om verweerder op de hoogte stellen, desnoods de volgende dag, van de verandering van zijn verblijfslocatie na het bezoek door de politie. De rechtbank verwijst naar haar overweging onder 3.5. Conclusie en gevolgen 4.1. Eiser heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.2. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Kasimu, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van de Participatiewet (Pw). AMS 24/1483. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3186. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2021:313; ECLI:NL:RBAMS:2022:3911; ECLI:NL:RBAMS:2020:1278.