proces-verbaal RECHTBANK AMSTERDAM Sector Strafrecht Parketnummer: 13/152867-25 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 19 augustus
- Tegenwoordig zijn: mr G.P.C. Janssen, politierechter en J.N.D. Michel, griffier. Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E.S. Schakenraad, officier van justitie. De politierechter doet de zaak uitroepen. De verdachte antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, wonende op het adres [adres] , Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.C. van Klaveren, advocaat te Amsterdam. De politierechter zegt tegen verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is en goed moet opletten. De officier van justitie draagt de zaak voor. Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven. De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:
- Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025121637-6 van 18 mie 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 5-7)
- Een proces-verbaal van getuigenverklaring met nummer PL1300-2025121637-11 van 19 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 11-13)
- Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025121637 van 18 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 14-22) De verdachte verklaart: Ik was in gesprek met een vriend en hij vroeg mij of ik wat wilde bijverdienen. Ik heb hem gevraagd waar het om ging en hij vertelde mij dat een busje met dozen erin moest worden weggereden. Aan hem heb ik niet gevraagd wat er in de dozen zat. Hij verleidde mij voor het verdienen van tweehonderd euro. Ik ben naar de parkeerplaats gegaan en weggereden. Ik wist dat twee jongens de dozen zouden ophalen. Er kwamen twee auto's aangereden. De bestuurders zeiden dat de dozen konden worden opgehaald. Ik deed de achterbak open en zij pakten de dozen eruit. Ik deed de deur van de auto dicht en vervolgens was er politie. Aan de politie gaf ik aan dat dit een gehuurde bus betrof. De agenten vertelden mij dat er een melding was gemaakt dat er dozen zouden worden overgeladen. Zij hebben aan mij gevraagd of ze in dus bus mochten kijken. Hiervoor heb ik geen toestemming gegeven. Ik wist dat het eraan zat te komen dat er iets in de dozen zat dat ik niet bij mij mocht hebben. De agenten zeiden dat zij mochten kijken, maar ik wilde nog geen toestemming hiervoor geven. Uiteindelijk deden de agenten de deur open en heb ik niet gekeken wat er in de dozen zat. De dozen waren dicht. Eén van de agenten zag ballonnen liggen en vroeg of er lachgas in de dozen zit. Ik heb tegen hem gezegd dat als er ballonnen zijn, zal er waarschijnlijk lachgas in de dozen zitten. U vraagt mij of ik de jongen waarvoor ik de klus deed ken. Ja, het is een vriend. Hij zei dat het niet heel spannend was. Ik heb hem niets gevraagd en dat was heel dom van mij. Achteraf heb ik daar spijt van. U vraagt mij waarom ik het niet heb gevraagd. Ik heb mij laten verleiden. U houdt mij voor dat mijn verklaring niet overeenkomt met het proces-verbaal van bevindingen dat ik tweemaal geen toestemming heb verleend om in de bus te kijken. Ook houdt u voor dat in datzelfde proces-verbaal van bevindingen is beschreven dat ik spontaan zou hebben verklaard dat er lachgas in de dozen zit. Het is anders gegaan. De agenten hebben aan mij gevraagd of er lachgas in de dozen zit. Daarop heb ik gezegd dat er waarschijnlijk wel lachgas in zou zitten als er ballonnen aanwezig zijn. Ik heb zelf geen lachgas gebruikt. De politierechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden, waaronder een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 juni 2025 betreffende verdachte. De raadsman voert het woord: Ik heb een opmerking voor de officier van justitie. Ik zal niet gaan bepleiten dat er geen wetenschap bij cliënt was. Ik heb geen beslaglijst gezien. Cliënt zal in ieder geval afstand doen van het beslag. Dit heb ik op schrift gesteld. Opmerking griffier: de raadsman heeft een afstandsverklaring van het beslag overhandigd aan de officier van justitie. De officier van justitie voert het woord en legt de vordering over aan de politierechter: T.a.v. het feit. De politie krijgt een duidelijke melding dat iets wordt overhandigd vanuit een witte Caddy bus. De verbalisanten komen ter plaatse en zien de bus en de verdachte. Ik zal vooruit lopen op het verweer nu de lezing van de verdachte en de verbalisanten van elkaar verschillen. De verbalisant schrijft op dat verdachte wordt medegedeeld dat zij achterin de bus willen kijken. De verdachte zou de deuren zelf hebben geopend. Ik heb geen reden om hieraan te twijfelen. Wat mij betreft heeft de verdachte vrijwillig de achterklep geopend. Mocht u anders denken, dat is het wat mij betreft voldoende om dit te constateren omdat de verbalisanten bevoegd waren op grond van de Wegenverkeerswet. De verbalisanten zien lachgasballonnen liggen en de verdachte zegt ongevraagd dat er lachgas in de auto ligt. Hoewel dit apart kan overkomen, ga ik er wel degelijk vanuit dat verdachte heeft bevestigd dat het hier om lachgas gaat. De verdenking ontstond bij het openen van de achterklep. De politie doet onderzoek en dan blijkt het ook daadwerkelijk om lachgas te gaan. Op basis van het dossier acht ik niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld in verdovende middelen. Wel acht ik bewezen dat hij de verdovende middelen heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad. Met betrekking tot de hoeveelheid is er sprake van een dealerindicatie. T.a.v. de strafmaat. Ik houd rekening met de ernst van het feit. Lachgas is een steeds groter probleem geworden. Het wordt met name gebruikt onder jongeren en er gaan veel gezondheidsrisico’s mee gepaard. Daarnaast is er veel milieuschade door al het afval. Bovendien gaat de handel in lachgas gepaard met veel vormen van criminaliteit. Verder zal ik rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Er is geen recidive op zijn justitiële documentatie. Bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie is er vanaf 40 kilogram al sprake van een forse taakstraf en voorwaardelijk gevangenisstraf. De hoeveelheid die bij de verdachte is aangetroffen passen bijna niet meer binnen de richtlijnen. Ik acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een brug te ver, maar gezien de grote hoeveelheid acht ik een hoge taakstraf passend. T.a.v. de strafeis. Ik vorder een taakstraf van 200 uur, met de daarbij behorende vervangende hechtenis. Daarnaast vorder ik een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren. De raadsman van verdachte voert het woord overeenkomstig de pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht als bijlage I. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd. De raadsman voert het woord tot verdediging: Ik wijk af van punt 12 in mijn pleitnota. De officier van justitie stelt dat cliënt zelf heeft gezegd dat er lachgas in de dozen zit. Hij kan dat wel zeggen, maar daardoor is het product niet echt. De verbalisant heeft geen mensen zien gebruiken. Het product is ook niet getest. Met cocaïne weten wij ook dat de halve stad met nepspul wordt opgepakt. Het staat niet vast dat er sprake is van lachgas, tenzij het wordt gebruikt of er een rapport is. Daarnaast is het onaannemelijk dat cliënt uit zichzelf zou hebben verklaard dat er lachgas in de dozen zit. Het is vreemd dat hij meteen een strafbaar feit zou bekennen. Het zou veel logischer zijn dat cliënt heeft gezegd dat er lachgas in de dozen zit wanneer hem naar de ballonnen werd gevraagd. Bovendien is er geen cautie gegeven. De verbalisant stelt verhorend vragen. Als hem geen cautie wordt gegeven, dan dient de verklaring dat er lachgas in de dozen zit, van het bewijs te worden uitgesloten. Cliënt ondervindt hier nadeel van omdat hij in zijn belangen is geschaad. Dat is ernstig en kwalijk. U kunt op basis van die zin niet zeggen dat hij zeker wist dat er lachgas in de dozen zat. Verder hoor ik de officier van justitie zeggen dat cliënt bij het verkrijgen van de opdracht zou moeten hebben gezien dat er lachgas in dozen zat. Nee, hij dacht wel dat er iets wat fout is in de dozen zou zitten, maar niet dat dit lachgas zou zijn. De officier van justitie krijgt de gelegenheid om te reageren en voert het woord als volgt: Met betrekking tot het vormverzuim persisteer ik. Met name wil ik reageren op dat het lachgas getest had moeten worden. Ik verwijs naar de uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2024:4853) waarin de rechtbank expliciet overweegt dat ondanks dat er geen rapport is opgemaakt door het NFI, dit niet leidt tot vrijspraak. Hier was er geen sprake van een bekentenis door de verdachte. De verbalisant herkende de gele tanks als zijnde lachgas en zag beide passagiers ballonnen inhaleren. In het onderhavige geval heeft de verbalisant niet gezien dat er is geïnhaleerd. Wanneer de inhalering niet door de verbalisanten is waargenomen, is dit onvoldoende omdat er ook neppe verdovende middelen kunnen worden geïnhaleerd. Van belang is hier de waarneming van de opschriften van de flessen. Dit zijn duidelijke foto’s. Met name die opschriften zijn van belang. Die duiden erop dat de inhoud lachgas betreft. Dit wordt ook duidelijk door de verbalisanten opgeschreven. Gesteld kan worden dat als de politie het product herkent doordat het aan de buitenkant kenmerken vertoont van lachgas, dit ook daadwerkelijk lachgas is. Ik kijk naar pagina 14 waarbij een fles met het merk “FASTGAS” meerdere malen is onderzocht. De stof heeft een identificatienummer UN2070 en dat betreft lachgas. Het E-nummer is ook nog genoemd op pagina
- Aldaar gaan verbalisanten verder met het gewicht dat overeenkomt met de algehele bevindingen. Dat verhaal, in combinatie met de ballonnen die ze ernaast zagen liggen, maakt dat het voldoende aannemelijk is dat het lachgas betreft en dus niet getest hoefde te worden. De verdachte en de raadsman krijgen de gelegenheid om te reageren en voert het woord als volgt: Het is precies wat ik net zeg. Het vonnis dat de officier van justitie aanhaalt bevat juist het verschil dat ik benoemde. Het klopt dat er voldoende aanwijzing is als de verdachte of gebruikers erkennen dat er sprake is van lachgas. In Limburg, maar ook in andere vonnissen, wordt daarop gewezen. Er moeten bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die duiden op lachgas. In dit soort flessen kan ook helium zitten. Het kan op de flessen staan dat er lachgas in zit, maar dat maakt het niet echt. De officier van justitie verwijst naar de stickers op de flessen. Een maker van een nepproduct schrijft ook niet dat zijn product nep is. Anders is het niet makkelijk te verkopen. Dit is geen doorslaggevend bewijs. We kunnen niet op basis van de ervaring van de politie en stickers mijn cliënt veroordelen. De politierechter geeft verdachte het laatste woord. De verdachte verklaart: Het is verder duidelijk. Ik heb een domme fout begaan. Als ik daarvoor word gestraft, is het mijn eigen domme fout. De politierechter sluit het onderzoek en wijst na een korte schorsing mondeling vonnis. AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS 1De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 170640 gram (170,640 kilo), in ieder geval een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2De formele voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging. 3Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring Uit de inhoud van de processen-verbaal en de verklaring van verdachte, volgen de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de politierechter heeft beslist dat verdachte de tenlastegelegde en hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan. 4Nadere bewijsoverweging Op 18 mei 2025 wordt er een melding gedaan van een getuige die ziet dat er dozen over en weer worden overhandigd, wat zou kunnen lijken op handel in verdovende middelen. De verbalisanten krijgen de opdracht om naar [straatnaam] te gaan. Ter plaatse zien de verbalisanten een witkleurige auto, type Caddy. Verbalisanten hebben de bestuurder aangesproken, die later de verdachte blijkt te zijn. De verbalisant wilde in de auto kijken naar aanleiding van voornoemde melding. In de laadruimte zag hij diverse gesloten dozen op een pallet en één zwarte geopende doos waar zwarte ballonnen op lagen. De verdachte verklaarde ongevraagd dat er in de dozen lachgas zat. De verbalisanten hebben de dozen geopend en dit bleek inderdaad lachgas te betreffen. De verbalisant herkent ambtshalve de lachgasflessen aan de stickers met het genoemde stofidentificatienummer UN1070, het E-nummer E942 en het merk “FASTGAS”. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een auto zou verplaatsen voor een vergoeding voor een vriend van hem. Hij wist dat er iets in de dozen zat dat hij niet bij zich mocht hebben, maar niet dat dit lachgas betrof. Dat er geen rapport is opgemaakt door het NFI met betrekking tot de inhoud van de flessen, leidt, anders dan de verdediging betoogt, niet tot vrijspraak. Er zijn bijzondere omstandigheden aanwezig die leiden tot dit oordeel. In de eerste plaats betreft dit de melding van de getuige dat er mogelijk handel in verdovende middelen plaatsvindt. Vervolgens treffen de verbalisanten zwarte ballonnen aan waarvan het hen ambtshalve bekend is dat deze worden gebruikt voor het inhaleren van lachgas. In de derde plaats heeft de verdachte ter plaatse ongevraagd de verklaring afgelegd dat er lachgas in de dozen zit. Deze ongevraagde verklaring maakt eveneens dat het afgeven van de cautie niet was vereist. Uit het hierboven sub 3 genoemde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] , die onderzoek heeft verricht naar de inbeslaggenomen flessen, blijkt dat deze verbalisant ambtshalve bekend is met dergelijke flessen. Eerder heeft hij identieke flessen onderzocht waarin lachgas bleek te zitten. De in deze zaak door deze verbalisant onderzochte flessen waren alle nieuw en op de flessen waren etiketten en identificatiegegevens aangebracht die vergelijkbaar waren met eerder onderzochte flessen terwijl enige indicatie dat het hier niet om hetzelfde lachgas zou gaan kennelijk ontbrak. De politierechter oordeelt ook zelf dat van een dergelijke indicatie sprake is. Op grond van bovenstaande is de politierechter van oordeel dat, ondanks het ontbreken van nader onderzoek naar de inhoud van de flessen, er met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld dat sprake is geweest van lachgas in alle aangetroffen flessen. 5De bewezenverklaring De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte: op 18 mei 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd, 170640 gram (170,640 kilo), distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 6De op te leggen straf Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. De politierechter weegt mee dat de verdachte vanaf het begin toegeeft dat hij fout is geweest en van de zaak af wil. Verdachte wordt niet gezien als een dealer, maar als een werktuig dat is ingezet. 7De strafbaarheid Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. 8Toepasselijke wetsartikelen De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Wetboek van Strafrecht 3, 11 Opiumwet DE UITSPRAAK De politierechter verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd mei het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel Verklaart het bewezene strafbaar De politierechter verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf Een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 70 uren subsidiair 35 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De politierechter zegt tegen verdachte dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.