RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER RK nummer: 017475-24 Datum beschikking: 29 oktober 2025 TUSSEN- BESCHIKKING op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] , geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1976, domicilie kiezende te [geboorteplaats] , klager. 1Procesgang Het klaagschrift is op 10 juni 2024 ingediend ter griffie van deze rechtbank. De officier van justitie heeft ten behoeve van de raadkamer van 10 september 2024 een schriftelijk standpunt aan de rechtbank gezonden. Raadkamer 10 september 2024 De rechtbank heeft op 10 september 2024 het klaagschrift behandeld en de raadsman van klager, mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van pleitnotities) nader uiteengezet. Klager is niet verschenen. De rechtbank heeft op 10 september 2024 het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris om te doen wat nodig is in het belang van het onderzoek. De officier van justitie heeft op 1 oktober 2024 een vordering op grond van artikelen 181-185 Sv in samenhang met artikelen 98 Sv en 218/218a Sv ingediend, strekkende tot – kort gezegd – het doen van onderzoek aan de in beslag genomen voorwerpen en/of gegevensdragers naar eventuele geheimhouderstukken betrekking hebbend op de door klager genoemde verschoningsgerechtigden door de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de uitgefilterde gegevens op overzichtelijke wijze veilig worden bewaard en dat de niet-uitgefilterde gegevens worden verstrekt aan de officier van justitie ten behoeve van verstrekking aan de Letse autoriteiten. De rechter-commissaris heeft op 6 maart 2025 een proces-verbaal opgemaakt van zijn onderzoekshandelingen. De officier van justitie heeft bij bericht van 14 maart 2025 een aanvullend standpunt ten behoeve van de behandeling in raadkamer van 18 maart 2025 aan de rechtbank gezonden. De raadsman heeft bij e-mailbericht van 17 maart 2025 (met bijlage) aan de rechtbank meegedeeld dat de strafzaak tegen klager in Letland definitief is beëindigd. Raadkamer 18 maart 2025 De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 18 maart 2025 en de raadsman van klager, mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet verschenen. De officier van justitie heeft, in reactie op het e-mailbericht van de raadsman van 17 maart 2025, bij e-mailbericht van 19 maart 2025 meegedeeld dat uit de navraag bij de Letse autoriteit is gebleken dat klager niet (langer) de status van verdachte maar van getuige heeft, maar dat het Europees onderzoeksbevel niet is ingetrokken. Tussenbeslissing 15 april 2025 Bij tussenbeslissing van 15 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend en aangehouden, omdat zij van oordeel was dat de stand van het dossier en wat tot dan toe is besproken in raadkamer nog niet zodanig is dat de rechtbank een eindbeslissing kon nemen omtrent het beslag. De rechtbank heeft in de tussenbeslissing thema’s geformuleerd die op de volgende behandeling aan de orde zullen komen. Raadkamer 3 juni 2025 De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 3 juni 2025 en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat in Utrecht, zijnde de raadsman van klager, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet verschenen. Tussenbeslissing 1 juli 2025 Bij tussenbeslissing van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend en aangehouden, om de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris om de verschoningsgerechtigden in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over mogelijk geprivilegieerde gegevens onder de in beslag genomen gegevens. Als het redelijkerwijs niet mogelijk blijkt de verschoningsgerechtigden in staat te stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot de inbeslaggenomen gegevens, dan dient de rechter-commissaris te handelen overeenkomstig de werkwijze zoals omschreven in het arrest van de Hoge Raad met ECLI nummer: ECLI:NL:HR:2024:375 (r.o. 6.6.4). De rechter-commissaris heeft op 24 september 2025 een proces-verbaal opgemaakt van zijn verdere onderzoekshandelingen. Raadkamer 1 oktober 2025 De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 1 oktober 2025 en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat in Utrecht, zijnde de raadsman van klager, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet verschenen. 2Tussenbeslissingen 15 april 2025 en 1 juli 2025 De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenbeslissingen van 15 april 2025 en 1 juli 2025. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 3Het verdere onderzoek door de rechter-commissaris De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 24 september 2025 en van het daarbij gevoegde proces-verbaal van de geheimhouders-functionaris van 19 september 2025. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris volgt het volgende. De rechter-commissaris heeft de twee verschoningsgerechtigden benaderd om zich uit te laten over mogelijke geheimhoudersgegevens op de in beslag genomen informatiedragers. Eén van de verschoningsgerechtigden heeft de rechter-commissaris voorzien van aanvullende zoektermen. De andere verschoningsgerechtigde heeft aanvankelijk gereageerd, maar vervolgens, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen nadere zoektermen aangeleverd. De nieuwe zoektermen hebben geleid tot verdere filtering van de gegevens. Bij die filterslag heeft de rechter-commissaris zich wederom laten bijstaan door de geheimhoudersfunctionaris van de FIOD. Tijdens een steekproefcontrole is naar voren gekomen dat enkele zoektermen een groot aantal vals positieven oplevert. Die termen zijn van de zoektermenlijst verwijderd, nu de rechter-commissaris na de uitgevoerde controle de overtuiging heeft dat alle geheimhoudersgegevens tevens worden geraakt door de overige zoektermen. Na het aanpassen van de zoektermenlijst heeft een tweede filterronde plaatsgevonden. De geheimhoudersfunctionaris heeft de dataset opnieuw doorzocht met de aangepaste zoektermen. De geraakte data van de tweede filtering zijn uitgegrijsd, waardoor deze gegevens niet langer zichtbaar zijn voor opsporingsambtenaren die bij onderhavig onderzoek betrokken zijn. De geheimhoudersfunctionaris heeft op vragen van de rechter-commissaris toegelicht op welke wijze de geschoonde data naar het buitenland kunnen worden overgedragen met behoud van de resultaten van de filtering. De filtering is uitgevoerd met bepaalde software, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De geheimhoudersfunctionaris heeft toegelicht dat hij een portable case van [bedrijf 1] en een UFED-rapport van [bedrijf 2] kan verstrekken. Naar de rechter-commissaris heeft begrepen wordt daarmee een stand alone bestand verstrekt dat door de buitenlandse opsporingsdienst kan worden geopend en gebruikt, zonder dat daarvoor vereist is dat die opsporingsdienst zelf over de genoemde programma’s beschikt of daarvoor enige licentie heeft. Wel zouden de uitgegrijsde gegevens zichtbaar en toegankelijk kunnen worden gemaakt door het bestand te openen met andere software (dan het aangeleverde stand alone bestand). Het is dus vereist dat afspraken worden gemaakt met het ontvangende land om te verzekeren dat het bestand met de vrij te geven geschoonde data niet met andere software wordt geopend. De rechter-commissaris heeft met de geheimhoudersfunctionaris besproken of er een alternatieve, werkbare manier is om de geschoonde bestanden vrij te geven, waarbij het technisch niet mogelijk is de uitgegrijsde gegevens weer zichtbaar te maken. Een werkbaar alternatief is de geheimhoudersfunctionaris en de rechter-commissaris niet bekend. De wijze waarop is gefilterd maakt het dus noodzakelijk dat de gefilterde data slechts worden geraadpleegd in de door de geheimhoudersfunctionaris verstrekte portable case en UFED- rapport. Enkel op die manier kan volgens de rechter-commissaris gewaarborgd worden dat de uitgegrijsde gegevens daadwerkelijk ontoegankelijk blijven. Bij verstrekking van de gefilterde gegevens aan de officier van justitie stelt de rechter-commissaris daarom als voorwaarde dat de verstrekte bestanden niet met andere software dan die bestanden zelf mogen worden geopend. 4Standpunt klager De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EOB, nu klager – aldus door de raadsman overgelegde stukken – niet meer de status van verdachte heeft. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verschoningsgerechtigde die de rechter-commissaris niet van verdere zoektermen heeft voorzien, daartoe nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld. Verder heeft de raadsman zijn bedenkingen geuit ten aanzien van de door de geheimhoudersfunctionaris en de rechter-commissaris voorgestelde wijze waarop de gefilterde data aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zou moeten worden verstrekt. 5Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft erop gewezen dat de door de raadsman overgelegde informatie over de status van klager in het Letse strafrechtelijke onderzoek in een eerder stadium – namelijk voorafgaande aan de raadkamer van 18 maart 2025 – al is geverifieerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft laten weten dat het EOB niet is ingetrokken en zij nog steeds uitvoering daarvan verlangt. De omstandigheid dat klager inmiddels niet langer de status van verdachte heeft staat dus niet aan uitvoering van het EOB in de weg. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Daarmee zou onder meer duidelijk moeten worden of de weigeringsgrond van artikel 11, lid 1 onder a van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de richtlijn) nog kan worden toegepast op het moment dat de erkenning van het EOB en de feitelijke inbeslagneming (en daarmee volgens de officier van justitie de tenuitvoerlegging van het EOB) al hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het volgens de officier van justitie de vraag of de weigeringsgronden van artikel 11 van de richtlijn juist zijn geïmplementeerd in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), omdat de facultatieve weigeringsgronden in de richtlijn zijn omgezet in dwingende weigeringsgronden in artikel 5.4.4 Sv. Tot slot heeft de officier van justitie zich afgevraagd op welke (naar de rechtbank begrijpt: Unierechtelijke) grondslag voorwaarden zouden mogen worden verbonden aan de wijze waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit kennis mag nemen van de gefilterde gegevens. Daarbij komt dat momenteel niet bekend is of mogelijk sprake is van een reden voor doorbreking van het verschoningsrecht, zoals bedoeld op pagina 8 van de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) van de implementatiewetgeving, Kamerstuk 34 611, nummer 3. 6Het oordeel van de rechtbank Klager geen status van verdachte meer De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft per e-mail van 19 maart 2025 bevestigd dat klager inmiddels de status van getuige heeft, maar dat het onderzoek nog gaande is. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het EOB niet ingetrokken en verlangt nog steeds uitvoering daarvan. Met de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat de enkele omstandigheid dat klager niet meer de status van verdachte heeft geen reden is om het klaagschrift gegrond te verklaren. Toetsing van de weigeringsgrond van artikel 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a, Sv in het kader van de onderhavige klaagschriftprocedure De officier van justitie heeft aangevoerd dat het nog maar de vraag is of de weigeringsgrond van artikel 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a, Sv (de implementatie van artikel 11, lid 1, aanhef en onder a, van de richtlijn) nog van toepassing is in dit stadium van de procedure, nu de uitvoering van het EOB, te weten volgens de officier van justitie de feitelijke inbeslagneming van de informatiedragers, al is afgerond. De officier van justitie heeft verzocht dat de rechtbank hierover een prejudiciële vraag stelt aan het HvJ EU. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Uit artikel 1 van de richtlijn volgt dat de lidstaten zich ertoe hebben verbonden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn erkent de uitvoerende autoriteit het overeenkomstig de richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt zij voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn. De rechtbank stelt vast dat de filtering van de inbeslaggenomen voorwerpen op stukken die onder het verschoningsrecht vallen, voor zover daarop door een verschoningsgerechtigde beroep wordt gedaan, onderdeel is van de beslagprocedure naar Nederlands recht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn en daarom valt onder de tenuitvoerlegging van het EOB als bedoeld in artikel 11 van de richtlijn. De beperkte uitleg van het begrip “tenuitvoerlegging van het EOB” die de officier van justitie voorstelt zou zich bovendien niet verhouden met artikel 14 van de richtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten erop toezien dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. Ook als het gaat om inbeslagneming op grond van een EOB, moet een mogelijk verschoningsrecht dus onderwerp kunnen zijn van een klaagschrift ex artikel 552a Sv. Er is geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van ‘acte clair’ op dit punt. Afronding filterproces De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het filteren van eventuele geheimhoudersgegevens, zoals gevorderd door de officier van justitie, naar Nederlands recht op de juiste wijze is uitgevoerd door de rechter-commissaris, met inachtneming van wat de rechtbank hierover in haar tussenbeschikking van 1 juli 2025 heeft overwogen. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris blijkt dat beide verschoningsgerechtigden zijn bereikt. Eén van de verschoningsgerechtigden heeft nadere zoektermen ter filtering aangeleverd, die vervolgens door de rechter-commissaris bij het filterproces zijn toegepast. De andere verschoningsgerechtigde is wel bereikt, maar heeft, na herhaalde verzoeken, de rechter-commissaris niet van verdere zoektermen voorzien. Nu is komen vast te staan dat deze verschoningsgerechtigde daadwerkelijk is bereikt en dat al meerdere verzoeken zijn gedaan, ziet de rechtbank – anders dan de raadsman – geen aanleiding om de behandeling van het klaagschrift aan te houden om de verschoningsgerechtigde nogmaals in de gelegenheid te stellen om nadere zoektermen aan te leveren. Nu door de rechter-commissaris redelijke inspanningen zijn verricht en beide verschoningsgerechtigden daadwerkelijk in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over mogelijk geprivilegieerde gegevens onder de in beslag genomen gegevens is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de werkwijze zoals omschreven in de beslissing van de Hoge Raad met ECLI-nummer: ECLI:NL:HR:2024:375. De in beslag genomen gegevens zijn blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris gefilterd op mogelijk geprivilegieerde gegevens conform de gepubliceerde werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal. De rechter-commissaris heeft na de uitgevoerde controle de overtuiging dat alle geheimhoudersgegevens worden geraakt door de zoektermen. Naar het oordeel van de rechtbank is het filterproces hiermee afgerond. De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende. De rechtbank realiseert zich dat de werkwijze zoals omschreven door de Hoge Raad in de beslissing met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2024:375 ziet op de situatie dat de officier van justitie gegevens heeft gevorderd van aanbieder van een communicatiedienst (art. 126ng/ug Sv) en niet op inbeslagneming van informatiedragers op grond van art. 94 Sv in het kader van een doorzoeking ter vastlegging van gegevens (art. 125i Sv), zoals in de onderhavige zaak het geval is. De vraag rijst of in dit geval niet de procedure als bedoeld in artikel 98, lid 3 Sv (had) moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.