RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/565 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. R.A. van Heijningen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M.I. ten Hoedt). Inleiding 1.
- Verweerder heeft op 21 oktober 2024 het besluit genomen tot het stopzetten en intrekken van de bijstandsuitkering van verzoeker per 1 augustus 2024 op grond van de Participatiewet (Pw). 1.
- Verzoeker heeft hiertegen op 14 november 2024 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker op 23 januari 2025 verzocht om een voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van het bestreden besluit. 1.
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Verweerder heeft onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van de ex-vrouw van verzoeker en tevens moeder van drie van zijn kinderen, mevrouw [naam ex-vrouw] . Naar aanleiding daarvan is verweerder ook een onderzoek gestart naar de situatie van verzoeker. Verweerder heeft de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken en stopgezet omdat uit dat onderzoek volgens verweerder is gebleken dat het hoofdverblijf van verzoeker en daarmee zijn woonsituatie per 1 augustus 2024 niet is vast te stellen. Er is onder meer waargenomen dat zijn auto veelvuldig bij het huis van [naam ex-vrouw] stond en hij was tijdens meerdere huisbezoeken niet aanwezig op het uitkeringsadres. Vervolgens heeft verzoeker te kennen gegeven niet te willen meewerken met verweerder. Ook zijn per 26 augustus 2024 op basis van bankafschriften en verklaringen van verzoeker en mevrouw [naam ex-vrouw] de inkomsten van verzoeker niet vast te stellen. Daarmee is het recht op bijstand zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, niet vast te stellen. Op de zitting heeft verweerder nog toegelicht dat ook sprake is geweest van het schenden van de inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals bedoeld in artikel 17 van de Pw. Verweerder heeft toegelicht dat expliciet niet het voeren van een gezamenlijke huishouding met mevrouw [naam ex-vrouw] aan verzoeker wordt tegengeworpen.
- Verzoeker heeft aangevoerd dat hij veel aanwezig is op het adres van mevrouw [naam ex-vrouw] in verband met de actieve betrokkenheid bij de zorg voor zijn kinderen. Hij brengt ze naar school en naar (sport)activiteiten. Ook eet hij daar weleens mee. Hij woont echter wel gewoon op zijn eigen adres en slaapt daar ook. Verweerder is volgens verzoeker ook al jaren van deze situatie op de hoogte.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat daar sprake van is. Verzoekers uitkering is stopgezet waardoor hij geen inkomsten heeft. Een schadevergoeding vanuit de Dienst Toeslagen, waar hij tot op heden zijn lasten van heeft kunnen betalen, is inmiddels bijna op.
- De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarbij acht de voorzieningenrechter het navolgende relevant.
- De aanleiding voor het rechtmatigheidsonderzoek naar het recht op bijstand van verzoeker is gelegen in een eerder gelijksoortig onderzoek naar de situatie van mevrouw [naam ex-vrouw] . Op de zitting is ter sprake gekomen dat ook haar bijstandsuitkering door verweerder is stopgezet. De voorzieningenrechter heeft op 25 november 2024 in het kader van de (on)rechtmatigheid van dat besluit aanleiding gezien om het verzoek om een voorlopige voorziening van mevrouw [naam ex-vrouw] toe te wijzen. Daarna heeft verweerder zelf een beslissing op bezwaar genomen waarbij ten aanzien van mevrouw [naam ex-vrouw] het recht op een bijstandsuitkering naar het recht van een alleenstaande is hersteld. Gelet op die omstandigheid kan het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Een groot deel van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de woonsituatie van verzoeker is immers hetzelfde als bij mevrouw [naam ex-vrouw] en ook al geruime tijd bekend bij verweerder. Hoewel verzoeker op sommige momenten geïrriteerd heeft gereageerd tijdens het onderzoek, heeft hij wel ook verklaringen afgelegd om uitleg te geven over de situatie en documenten overgelegd. Verweerder zal in de bezwaarfase al deze omstandigheden moeten heroverwegen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder in het licht van het voorgaande ook zal moeten heroverwegen of het vasthouden aan het standpunt in het primaire besluit dat de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht zijn geschonden, nog wel passend is. De onderzoeken naar de woonsituaties van mevrouw [naam ex-vrouw] en verzoeker waren gericht op beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarvan is volgens de voorzieningenrechter in de uitspraak van 25 november 2024 geen sprake, wat achteraf bezien de vraag doet rijzen of onderzoek naar de woonsituatie bij verzoeker wel nodig was. Bij deze stand van zaken wordt het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening van verzoeker in ieder geval zwaarder geacht dan het belang van verweerder en zal de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening ook treffen. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 21 oktober 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierbij wordt bepaald dat de bijstandsuitkering van verzoeker met de norm van een alleenstaande (voorlopig) herleeft per 1 augustus
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; - schorst het primaire besluit van 21 oktober 2024 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat de bijstandsuitkering van verzoeker met de norm van een alleenstaande (voorlopig) herleeft per 1 augustus 2024; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 februari
- De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.