RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/778557 / KG ZA 25-919 MdV/EB Vonnis in kort geding van – bij vervroeging – 27 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij bij dagvaarding van 14 november 2025, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C. Guzel, tegen 1MEDIAHUIS NEDERLAND B.V.,
- DE TELEGRAAF B.V., beide te Amsterdam, gedaagde partijen, hierna te noemen: De Telegraaf, advocaten mr. A. Bekema en mr. P.A. Lichtendahl. 1De procedure Op de zitting van 24 november 2025 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De Telegraaf heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben stukken ingediend en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Na debat heeft [eiser] de vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. ingetrokken. Vonnis is – na vervroeging – bepaald op vandaag. Ter zitting was [eiser] aanwezig met mr. Guzel. Aan de zijde van De Telegraaf waren aanwezig [naam 1] (onderzoeksjournalist), mr. [naam 2] (secretaris van de hoofdredactie), mr. Bekema en mr. Lichtendahl. 2De feiten 2.
- [eiser] is dierenrechtenactivist. Hij is ook wel bekend als de [alias 1] . 2.
- De Telegraaf geeft een dagblad uit, zowel in papieren als digitale vorm. 2.
- Op de website van de Telegraaf is op [datum 1] 2025 een artikel van [naam 1] gepubliceerd met als kop “ [titel] ”. In dit artikel, dat gaat over de arrestatie van [naam 3] na dreiging met brandstichting bij het kantoor van de politieke partij BBB, staat ook de volgende passage: “Een cel van het Animal Liberation Front, onder leiding van de eerder al veroordeelde [eiser] , alias de [alias 1] , zou volgens [naam 3] verantwoordelijk zijn voor een miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf in [plaats 1] . In De Telegraaf dreigde [naam 3] zaterdag dat het kantoor van BBB ook aan de beurt zou komen.” 2.
- [eiser] heeft De Telegraaf op 6 september 2025 (via zijn vorige advocaat) verzocht deze passage te rectificeren, omdat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de brand in [plaats 1] . Aan dat verzoek is geen gevolg gegeven. 2.
- Bij brief 3 oktober 2025 heeft [eiser] De Telegraaf gesommeerd om het artikel te rectificeren, dit keer via zijn huidige advocaat. In deze brief staat onder meer: “Cliënt heeft op geen enkele wijze, direct dan wel indirect, betrokkenheid gehad bij de brand in het pluimveebedrijf te [plaats 1] en er is ook geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat dit wel zo is. [naam 3] is voor cliënt een onbekend persoon. Cliënt heeft op géén enkele wijze een band met [naam 3] , waardoor géén van de uitlatingen van [naam 3] als steun kunnen worden gebruikt voor uw suggestie dat cliënt verantwoordelijk is voor de brand in [plaats 1] .” 2.
- De Telegraaf heeft de gewraakte passage niet verwijderd, maar op [datum 2] 2025 aan het artikel wel de volgende reactie van [eiser] toegevoegd: “Reactie [eiser] : [eiser] heeft in een reactie op dit artikel aangegeven op geen enkele wijze, direct dan wel indirect, betrokkenheid te hebben gehad bij de brand in het pluimveebedrijf te [plaats 1] en ook géén enkele band te hebben met [naam 3] , alias [alias 2] .” 3Het geschil 3.
- Op de zitting is het petitum van de dagvaarding doorgenomen met [eiser] en zijn advocaat. [eiser] heeft daarbij op enig moment verwezen naar een artikel dat op [datum 3] 2025 in de papieren editie De Telegraaf is verwezen, wat volgens hem hetzelfde artikel betrof als het artikel dat op [datum 1] 2025 online is verschenen. De Telegraaf heeft betwist dat het ging om hetzelfde artikel. Gevraagd van welk artikel nu precies rectificatie werd gevorderd, heeft de advocaat van [eiser] geantwoord dat het zijn cliënt alleen te doen is om het artikel dat op [datum 1] 2025 op de website van De Telegraaf is gepubliceerd. Daarvan zal in het navolgende worden uitgegaan. 3.
- Na wijziging van zijn eis vordert [eiser] , kort gezegd, De Telegraaf te veroordelen: primair de passage over [eiser] te verwijderen uit het artikel; in de digitale versie van de krant een rectificatie te plaatsen die inhoudt dat [eiser] niet verantwoordelijk is voor de brand in [plaats 1] en daarbij geen betrokkenheid heeft gehad; subsidiair de reactie van [eiser] , die inmiddels aan het artikel is toegevoegd, te laten staan; in alle gevallen een dwangsom te verbinden aan de veroordelingen en De Telegraaf te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. 3.
- De Telegraaf voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang. 4De beoordeling 4.
- Toewijzing van de vorderingen zou een beperking vormen op het grondrecht (van in dit geval De Telegraaf) op vrijheid van meningsuiting, dat in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is neergelegd. Dat recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Zo’n beperking is bij de wet voorzien wanneer de uitlatingen van De Telegraaf onrechtmatig jegens [eiser] zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. 4.
- Het belang van de Telegraaf is dat zij moet kunnen berichten over gebeurtenissen en ontwikkelingen in de samenleving. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen die zijn eer en goede naam aantasten. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. 4.
- Partijen zijn het erover eens dat de brand in [plaats 1] een zaak van algemeen belang is en dat het De Telegraaf vrij staat daarover te berichten. Volgens [eiser] gaat De Telegraaf echter een grens over door hem te beschuldigen van de brand in [plaats 1] met als enige onderbouwing de uitlatingen van [naam 3] en een eerdere veroordeling van [eiser] , waarvoor hij zijn straf heeft uitgezeten. De Telegraaf wist uit een eerdere publicatie in die krant dat [eiser] “niet goed ligt” in de groep van [naam 3] , wat reden zou moeten geven om de uitlatingen van [naam 3] over [eiser] met een korrel zout te nemen. En een eerdere veroordeling kan (en mag) niet als onderbouwing dienen voor lichtvaardige verdachtmakingen van ernstige feiten. Door de manier waarop het artikel is vormgegeven, zullen de lezers het als vaststaande en onderzochte informatie interpreteren. Op zijn minst had De Telegraaf hem gelegenheid moeten bieden voor het geven van een weerwoord, aldus [eiser] . 4.
- In het artikel staat dat een cel onder leiding van [eiser] volgens [naam 3] verantwoordelijk zou zijn voor de brand in [plaats 1] . De Telegraaf doet hier niet meer dan doorgeven wat zij van [naam 3] heeft vernomen. [eiser] stelt wel dat De Telegraaf onvoldoende afstand van deze uitlatingen neemt, maar dat standpunt gaat niet op. [eiser] beroept zich in dit verband op de volgende uitlating die [naam 1] op [datum 4] 2025 in een televisie-uitzending van Nieuws van de Dag op SBS6 heeft gedaan, te weten: “Hij ( [alias 2] ) [schuilnaam van [naam 3] , vzr.] wist ook best wel veel informatie over de brand bij [plaats 1] , over de groepscel die deze actie had bereid. Dit zou door [eiser] zijn gedaan. Die mensen eromheen. Het was best wel heftige informatie die hij had.” [naam 1] is echter De Telegraaf niet. Dat [naam 1] namens of in opdracht van De Telegraaf sprak, is gesteld noch gebleken. Deze uitlating blijft dus voor rekening van [naam 1] . Voor de gemiddelde lezer zal duidelijk zijn dat het [naam 3] is die [eiser] in verband brengt met de brand in [plaats 1] , en niet zozeer De Telegraaf. 4.
- Waar het nieuwsmedium de ‘boodschapper’ is, en de uitspraak van een derde niet tot de zijne maakt, geldt een ruime mate van vrijheid. Verslagging gebaseerd op interviews is immers een van de belangrijkste wijzen waarop de pers zijn essentiële rol als publieke waakhond kan vervullen. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een nieuwsmedium aansprakelijk worden gehouden voor het weergeven van uitlatingen van derden, bijvoorbeeld als zij zou weten dat die uitlating onwaar was of als zij onvoldoende journalistieke zorgvuldigheid zou hebben betracht bij de publicatie. 4.
- De Telegraaf heeft aangevoerd dat [naam 1] , na het gesprek met [naam 3] en vóór publicatie van zijn artikel op [datum 1] 2025, nader onderzoek heeft gedaan naar het verhaal van [naam 3] en de achtergrond van [eiser] . Deze informatie heeft hij vervolgens aan diverse experts op het gebied van dierenactivisme voorgelegd om de door [naam 3] genoemde feiten, context en namen zo goed mogelijk te verifiëren. Dit betrof betrokkenen van de volgende organisaties: de Politie; het Openbaar Ministerie; pluimveebedrijf Plukon; de brancheorganisatie van pluimveeslachters en pluimveehouders; de brancheorganisatie van varkenshouders; experts op het gebied van dierenactivisme rond LTO; een voormalig medewerker en activismedeskundige van het Landelijk Parket; een voormalige AIVD-functionaris op het gebied van links-activisme; een gepensioneerde politiechef en inlichtingen-liaison die zelf met [eiser] te maken heeft gehad; en een expert op het gebied van actiegroepen en relaties van [naam 4] . Volgens De Telegraaf refereerden deze experts aan [eiser] als een “gevaarlijke activist” en een “recidivist”. [naam 1] kreeg onder meer als reacties terug: dat [eiser] veroordeeld is voor brandstichting bij een pluimveebedrijf in [plaats 2] ; dat [eiser] eerder is gearresteerd bij een ALF (Animal Liberation Front)-actie, waarbij hij op heterdaad werd betrapt in een stal; dat [eiser] door de inlichtingendienst meermalen in verband is gebracht met brandstichtingen, inbraken en ander dierenactivisme; dat de aan [eiser] toegeschreven werkwijze in [plaats 1] past in de modus operandi van de vroegere aan ALF gelieerde actiegroep of cel, de Rode Haan; dat [eiser] door de inlichtingendiensten geobserveerd is geweest. De uitlatingen van [naam 3] werden door de eerdergenoemde experts bovendien herkend als een feitelijk juiste historische context: De kennis van [naam 3] over actiegroep De Rode Haan komt overeen met kennis van de AIVD; [naam 3] is als [alias 2] onbetwist zegsman van ALF; hij is tevens een gekende en relevante persoon in het internationaal dierenactivisme; De uitlatingen van [naam 3] over andere acties waren alle te herleiden tot berichtgeving hieromtrent. De Telegraaf is dus niet over een nacht ijs gegaan alvorens zij tot publicatie van de uitlating van [naam 3] overging. 4.
- De informatie die [naam 1] heeft verkregen klopt volgens [eiser] op veel punten niet. Zo hield zijn bezoek aan de stal geen verband met zijn werk voor het ALF, maar voor de Stichting Konijn in Nood. De bronnen van [naam 1] verwarren het ALF met het DBF (Dierenbevrijdingsfront). Verder stemt zijn werkwijze niet overeen met die in [plaats 1] . En zijn aanhouding voor een geplande aanslag op Beatrix was onterecht, dat blijkt al uit het feit dat hij na zes dagen alweer werd vrijgelaten. Wat daar ook van zij, dat neemt allemaal niet weg dat [naam 1] bij zijn onderzoek van verschillende bronnen te horen kreeg – in de kern – dat [eiser] een actieve dierenrechtenactivist is, die in het verleden brandstichting niet heeft geschuwd als middel om zijn doel te bereiken. Dat deze informatie klopt, staat niet ter discussie, en de uitlating van [naam 3] vielen daarmee te rijmen. 4.
- [eiser] stelt dat De Telegraaf hem gelegenheid had moeten bieden om een weerwoord te geven voordat het artikel werd gepubliceerd. Dat zij hem die gelegenheid niet heeft geboden, acht hij onrechtmatig. Het bieden van de mogelijkheid tot wederhoor is echter geen absoluut recht. Het is bedoeld om hiaten en fouten in de berichtgeving te voorkomen. Dat toepassing van wederhoor tot een ander artikel zou hebben geleid, is niet aannemelijk. De reactie van [eiser] zou bij de blote ontkenning zijn gebleven waarbij het in dit kort geding ook is gebleven en die inmiddels ook bij het artikel is geplaatst. 4.
- Alles afwegend zijn de uitlatingen die De Telegraaf op [datum 1] 2025 over [eiser] heeft gepubliceerd niet onrechtmatig jegens hem. Er is dan ook geen grond om De Telegraaf te gebieden het artikel van [naam 1] te verwijderen of recht te zetten, nog daargelaten dat De Telegraaf in geen geval zou kunnen worden verplicht tot het plaatsen van de gevorderde rectificatie, omdat voor De Telegraaf niet vast te stellen is of [eiser] al dan niet betrokken is geweest bij de brand in [plaats 1] . De primaire vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. 4.
- Met de toevoeging van de reactie van [eiser] aan het artikel is voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van [eiser] . De Telegraaf heeft toegezegd dat zij de reactie van [eiser] bij het artikel zal laten staan. Er is geen reden om dat te betwijfelen, zodat [eiser] geen belang meer heeft bij toewijzing van zijn subsidiaire vordering. Die zal daarom eveneens worden afgewezen. 4.
- [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Telegraaf worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,00 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- weigert de gevraagde voorzieningen, 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november
- Coll: KH