← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:9441

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/034019-25 Datum uitspraak: 10 juli 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudig kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres] , thans gedetineerd te: [detentieplaats] , hierna: verdachte. 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Linde en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, zoals op de zitting nader is omschreven, kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: feit 1 het medeplegen van het voorhanden hebben van meerdere wapens en munitie op 5 februari 2025 te Amsterdam; feit 2 het ter voorbereiding van wapenhandel opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten mobiele telefoons, vuurwapens, een onderdeel van een vuurwapen en munitie, in de periode van 30 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Amsterdam; feit 3 het voorhanden hebben van een gaspistool, munitie en een patroonmagazijn voor een pistoolmitrailleur op 5 februari 2025 te Amsterdam; feit 4 het in vereniging voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik op 5 februari 2025 te Amsterdam; feit 5 het in voorraad hebben van valse bankbiljetten van 50 euro op 5 februari 2025 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Geldigheid van de dagvaarding 3.
  2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig dient te worden verklaard. De tekst van de tenlastelegging voldoet niet aan de eisen die daaraan zijn gesteld nu de tekst niet verwijst naar een wettelijk voorschrift aangaande het feit dat zou worden voorbereid en het onduidelijk is waar verdachte feitelijk van wordt verdacht. 3.
  3. Standpunt Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van één van de toepasselijke artikelen niet maakt dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard ten aanzien van feit
  4. De tekst van het wetsartikel (artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is opgenomen en de raadsman refereert zelf aan de voorbereidingshandelingen. Hieruit blijkt al dat het niet onduidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Verder blijkt uit de tekst van de tenlastelegging ook dat de verdenking ziet op de uitoefening van een bedrijf, waardoor het dus een feit betreft met een strafbedreiging van maximaal acht jaar. De tekst van de tenlastelegging is voldoende duidelijk. Het verzoek tot nietigverklaring moet worden afgewezen. 3.
  5. Oordeel van de rechtbank Veertien dagen voor de terechtzitting heeft de officier van justitie een vordering nadere omschrijving tenlastelegging toegezonden aan de raadsman en de rechtbank. Ter terechtzitting is de vordering, conform artikel 324a Sv, ingediend. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. De raadsman voert het hierboven weergegeven verweer met betrekking tot feit 2 op de nader omschreven tenlastelegging. Krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vermeldt een tenlastelegging een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, alsmede het wettelijk voorschrift waarbij het feit is strafbaar gesteld. De tenlastelegging dient een zodanige opgave van het feit te zijn dat, in combinatie met het onderliggende dossier, het voor verdachte voldoende duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. Het ontbreken van het wettelijk voorschrift leidt niet zonder meer tot nietigheid, voor zover de tenlastelegging overeenstemt met de doel en de strekking van de eisen van artikel 261 Sv. Verdachte is op 5 februari 2025 aangehouden in een onderzoek naar wapenhandel en bevindt zich sindsdien voorlopige hechtenis, op verdenking van het medeplegen van het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens en munitie. Vervolgens is het dossier verschillende malen aangevuld met de onderzoeksbevindingen in het lopende onderzoek naar wapenhandel en heeft de officier van justitie een vordering nadere omschrijving tenlastelegging aangekondigd en op schrift doen toekomen. De tekst van feit 2 op de tenlastelegging kan worden gelezen als bestaand uit verschillende delen, onderscheiden door woorden die twee stukken tekst aan elkaar koppelen: de woorden ‘te weten’ of ‘telkens’. Voor de leesbaarheid wordt hieronder in kleinere letters steeds eerst het bedoelde stuk tekst uit de tenlastelegging weergegeven en daarna de beoordeling door de rechtbank. Tekst tenlastelegging: hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, Dit eerste deel van de tenlastelegging noemt datum en plaats van het delict en begint vervolgens, conform het onder de tenlastelegging van feit 2 aangehaalde artikel 46 Sr, met het begin van de omschrijving van het plegen van voorbereidingshandelingen, gericht op een feit waar een strafbedreiging van acht jaar of meer op is gesteld. Dit deel sluit af/het volgende deel begint met de woorden ‘te weten’, woorden die in een tenlastelegging duiden op een nadere omschrijving. (vervolg tekst tenlastelegging:) te weten het zonder erkenning vervaardigen en/of transformeren en/of in de uitoefening van een bedrijf ter beschikking stellen aan een ander en/of het verhandelen van één of meer wapens van categorie II en/of categorie III of munitie van categorie II en/of III, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie, Dit tweede deel van de tenlastelegging wordt ingeleid met de woorden ‘te weten’, woorden die tegelijk terug verwijzen naar het voorgaande. Hierin wordt het feit omschreven dat zou zijn voorbereid en waar acht jaar of meer op staat. Het feit dat wordt omschreven is, kort gezegd, handel in wapens en munitie. Na deze omschrijving volgt het woord ‘telkens’, dat blijkens de tekst ziet op de tekst die daarop volgt: (vervolg tekst tenlastelegging:) (telkens) opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten Het voorgaande stuk van de tenlastelegging is niet direct duidelijk, omdat een werkwoord ontbreekt. Wel is voor een strafrechtjurist te herkennen dat de gekozen woorden ‘voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen’ zien op de beschrijving van voorbereidingshandelingen in artikel 46 Sr. Uit de woorden ‘te weten’ kan vervolgens worden opgemaakt dat een nadere concretisering volgt: (vervolg tekst tenlastelegging:) een of meer mobiele telefoons en/of een of meer vuurwapens en/of een of een onderdeel van een vuurwapen en/of munitie bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad. Tenslotte wordt in de tenlastelegging concreet omschreven dat de voorbereidingshandelingen voor wapenhandel zien op het voorhanden hebben van een of meer mobiele telefoons, vuurwapens en een onderdeel van een vuurwapen en munitie. De rechtbank komt op grond van vorenstaande tot de conclusie dat de tekst van de tenlastelegging, in onderlinge samenhang bezien en in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk is. Dat in de tenlastelegging niet expliciet is verwezen naar artikel 9 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) doet hier niet aan af. De rechtbank verwerpt het nietigheidsverweer van de verdediging. 4Waardering van het bewijs 4.
  6. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. 4.
  7. Standpunt van de verdediging 4.2.
  8. Feit 1: geen medeplegen De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte slechts gedeeltelijk kan worden veroordeeld voor het onder feit 1 ten laste gelegde, namelijk enkel voor het voorhanden hebben van het AKSA vuurwapen waarmee hij is aangehouden op 5 februari
  9. Het medeplegen van het voorhanden hebben van de overige goederen kan niet worden bewezen nu niet is gebleken dat verdachte enige wetenschap had van de aanwezigheid van de overige goederen. 4.2.
  10. Feit 2: geen strafbedreiging van acht jaar Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu de voorbereidingshandelingen niet zien op een feit met een strafbedreiging van maximaal acht jaar. Uit het dossier blijkt immers niet dat aan verdachte een strafverzwarende omstandigheid uit artikel 55 WWM ten laste is gelegd. Verder meent de verdediging dat slechts het voorhanden hebben van een mobiele telefoon en een of meer vuurwapens (dan wel onderdelen daarvan) niet kan leiden tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat vele handelingen door medeverdachte zijn gepleegd. Echter is feit 2 niet ten laste gelegd als medeplegen. Ook om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van feit
  11. 3.4.
  12. Feit 3 tot en met 5: wetenschap Ten aanzien van het voorhanden hebben van de goederen zoals ten laste gelegd in de feiten 3 tot en met 5 stelt de raadsman dat verdachte niet de wetenschap had van de aanwezigheid van de goederen die in de berging van zijn moeder zijn gevonden. Niet is nagegaan of de verklaring van zijn moeder dat hij als enige de sleutel tot de berging had, juist was. De bewoner van een woning dient in beginsel verantwoordelijk te worden gehouden voor hetgeen zich in die woning bevindt. Dat is verdachte niet. Wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van de wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van de goederen dient hij ook ten aanzien van deze feiten te worden vrijgesproken. Verder heeft de raadsman ten aanzien van het valse geld gesteld dat de biljetten dusdanig duidelijk vals zijn door de tekst die erop is geprint, dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om de biljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. 4.
  13. Oordeel van de rechtbank 4.3.
  14. Feit 2: vrijspraak Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor een feit waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer op staat. Volgens de tekst van de tenlastelegging heeft verdachte echter het handelen in strijd met artikel 9 lid 1 WWM, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a WWM, voorbereid. Dat betreft geen ‘feit waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld’ maar een feit met een strafbedreiging van maximaal vier jaar gevangenisstraf. Niet is in de tenlastelegging opgenomen de strafverzwarende omstandigheid van artikel 55 lid 4 WWM, te weten dat verdachte van het handelen in strijd met artikel 9 lid 1 een beroep of een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank acht hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd in feit 2 dan ook niet bewezen en zal hem hiervan vrijspreken. 4.3.
  15. Feit 1: medeplegen De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. In de periode van 2 tot en met 5 februari 2025 was [medeverdachte] bezig met de verkoop van een wapen. Hij was met de (pseudo)koper over de verkoop en de prijs tot overeenstemming gekomen en het wapen zou op 5 februari 2025 rond 16:00 uur op de locatie [locatie] aan de (pseudo)koper worden overhandigd tegen betaling van de overeengekomen koopsom. Verdachte verscheen, samen met [medeverdachte] , omstreeks het afgesproken tijdstip op de met de (pseudo)koper afgesproken locatie en werd daar aangehouden. Na de aanhouding van beide verdachten bleek dat zij allebei een kogelwerend vest droegen en allebei een geladen vuurwapen binnen handbereik hadden. Medeverdachte had het wapen dat verkocht en overhandigd zou worden in een Albert Heijn-tas bij zich. In het daarop volgende onderzoek is de telefoon van verdachte uitgelezen. In die telefoon is onder meer een (chat)gesprek tussen [medeverdachte] en verdachte aangetroffen van de dag van hun aanhouding. Uit dit gesprek blijkt dat zij samenwerkten aan het bouwen van een wapen en zouden delen in de buit. De rechtbank oordeelt bovendien dat beide verdachten op het moment van hun aanhouding wisten dat ze bezig waren met wapenhandel en wisten dat ze op weg waren naar een verkoopafspraak betreffende een vuurwapen, nu zij zich allebei hadden voorbereid door zich te bewapenen en een kogelwerend vest te dragen. Het medeplegen van de feiten 2 en 3 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. 4.3.
  16. Feit 3, 4 en 5: wetenschap Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat verdachte de wetenschap had van de aanwezige goederen in de berging die bij de woning van zijn moeder hoort. De moeder van verdachte heeft verklaard dat haar zoon, verdachte, de enige is die een sleutel van de berging had en ook de enige is die gebruik maakte van die berging. De berging is ook geopend met een sleutel die bij de aanhouding van verdachte in beslag is genomen. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen ter verduidelijking van de situatie. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de moeder van verdachte. De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte als enige toegang had tot de berging. Hij had daarmee ook de wetenschap van de goederen die zich in de berging bevonden. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat in de berging munitie is aangetroffen die ook wel ‘hollowpoint’ wordt genoemd. Dit is hetzelfde type munitie dat is aangetroffen in het wapen dat verdachte bij zijn aanhouding in zijn broeksband bij zich droeg. Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat de goederen die in de berging aanwezig waren ook daadwerkelijk aan hem toebehoorden. Verdachte had de wetenschap van en de beschikkingsmacht over alle goederen in de berging. Hiermee acht de rechtbank feit 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen. 4.3.
  17. Oogmerk feit 5 Het staat vast dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de valse bankbiljetten in de berging. Ten aanzien van het valse geld heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de biljetten zo evident vals zijn dat daarom het oogmerk om het als echt en onvervalst uit te (doen) geven niet kan worden bewezen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het Hof Amsterdam heeft op 1 november 2021 in zijn uitspraak overwogen dat het oogmerk tot het uitgeven van het vals geld als echt geld kon worden bewezen op basis van de context van het aantreffen van een handelshoeveelheid verdovende middelen bij de verdachte, bij welke handel ook geld wordt uitgewisseld tussen de kopende en de verkopende partij. Deze uitspraak is door de Hoge Raad in 2023 in stand gelaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval een soortgelijke situatie zich voordoet. Het geld dat is aangetroffen bevond zich in een berging waar eveneens professioneel vuurwerk en een grote hoeveelheid van verschillende soorten munitie zijn aangetroffen. Daarbij is verdachte aangehouden terwijl hij bezig was met de aflevering van een verkocht wapen. Gelet op de context waarin het geld is aangetroffen en de activiteiten waar verdachte zich mee bezig hield, oordeelt de rechtbank dat verdachte het oogmerk had om het valse geld als echt en onvervalst uit te (doen) geven. De handel in deze goederen gaat namelijk gepaard met de uitwisseling van grote hoeveelheden geld tussen de kopende en verkopende partijen. Het gegeven dat de valse biljetten een tekst bevat waaruit blijkt dat het geld niet echt is, doet hier niet aan af. Het biljet ziet er namelijk op het eerste gezicht uit als een onvervalst bankbiljet. Het is ook niet gebruikelijk om de tekst op een biljet te lezen voordat je het aanneemt. Bij het gebruik van deze biljetten zou het dan ook niet voor eenieder overduidelijk zijn dat de biljetten vals zijn zoals bijvoorbeeld het geval is bij Monopolygeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 5 wettig en overtuigend bewezen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte feit 1 op 5 februari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 en 4 van de Wet wapens en munitie, te weten - een (3D geprint) pistool, van het merk FCG-9, kaliber 9x19mm en - een pistool, van het merk AKSA, type AK17, kaliber 9x19mm, (telkens) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en - een start/alarmpistool, van het merk BBM (Bruni), type 92, kaliber 9mm Knall en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III en II van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet, te weten een of meer kogelpatronen, kaliber 9x19mm en 9mm Knall, voorhanden heeft gehad; feit 3 op 5 februari 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk SM, type 110, kaliber 8mm P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III en categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet, te weten een of meer kogelpatronen, kaliber 7.62 x 39mm en/of 9 x 19mm en/of 7.65mm Browning en/of .357 Magnum en een of meer onderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 en artikel 3 lid 1, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn, zijnde een onderdeel/hulpstuk die specifiek bestemd is en van wezenlijke aard is, voor een pistoolmitrailleur van het merk/model Uzi, kaliber 9mm x 19 voorhanden heeft gehad; feit 4 op omstreeks 5 februari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, 9 stuks knalvuurwerk (Super Cobra 6 en Shock Bull Dog) en een vuurpijl (Signalrakete) , in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad; feit 5 op omstreeks 5 februari 2025 te Amsterdam, bankbiljetten van 50 euro waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.
  18. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. 8.
  19. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring kan komen voor het voorhanden hebben één vuurwapen en munitie uit feit
  20. De raadsman stelt dat de rechtbank daarom niet een hogere gevangenisstraf zou moeten opleggen dan verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 8.
  21. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal feiten, namelijk het voorhanden hebben van verschillende soorten vuurwapens en munitie, het voorhanden hebben van vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik en het voorhanden hebben van vals geld. Al deze goederen hebben een rol in het criminele circuit en worden gebruikt bij het plegen van andere ernstige strafbare feiten. Zo heeft Amsterdam de laatste jaren in toenemende mate te maken met vuurwapengeweld en met aanslagen door middel van zwaar vuurwerk. Dat deze combinatie van goederen bij verdachte is aangetroffen, duidt op een sterke betrokkenheid van verdachte bij dit circuit. Dit baart de rechtbank ernstig zorgen. Het voorhanden hebben van wapens, munitie en illegaal vuurwerk brengt ook grote (potentiële) gevaren met zich mee voor mensen die zich in de nabijheid van die goederen bevinden en dus ook voor verdachte zelf. Verdachte heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in die gevaren. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 14 april
  22. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank maakt uit het dossier op dat verdachte zich in een crimineel milieu beweegt waar hij uit moet zien te komen. Verdachte biedt echter geen enkele opening om hem daarbij hulp te bieden of te begeleiden op welk leefgebied dan ook. Verdachte heeft niet alleen niets over de verdenking willen zeggen tegen de politie en ter terechtzitting, ook de meeste vragen van de rechtbank over zijn persoonlijke omstandigheden heeft hij niet willen beantwoorden. Verdachte heeft evenmin met de reclassering willen praten, waardoor de reclassering de rechtbank geen advies over een op te legen straf heeft kunnen geven. Zo is niet bekend of verdachte een (legaal) inkomen heeft noch wat zijn dagbesteding is. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank recidivegevaar aanwezig maar ziet in het kader van het beperken van het recidiverisico geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel zonder daar bijzondere voorwaarden aan te kunnen koppelen. Verdachte zou tijdens het uitzitten van de op te leggen gevangenisstraf echter het gesprek met de reclassering alsnog aan kunnen gaan, zodat de reclassering hem in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling kan begeleiden. Strafverzwarende omstandigheden In strafverzwarende zin neemt de rechtbank het volgende mee. Ten eerste heeft verdachte vuurwapens en munitie op de openbare weg gedragen terwijl hij zelf een kogelwerend vest droeg. Verder had het wapen dat bij hem is aangetroffen op het moment van zijn aanhouding binnen handbereik, namelijk in zijn jaszak. Tot slot was het wapen dat hij bij zich had doorgeladen. Dit zijn allemaal omstandigheden die het gevaar dat wapens met zich meebrengen vergroot. Bovendien was dit op een moment van de dag waarop veel mensen op straat zijn. Straf De rechtbank ziet in alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden aanleiding om in strafverzwarende zin af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 9Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 360,00 EUR, goednummer: 6616108; 1 DV patroon, goednummer: G6615942; 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6616129; 1 STK Pistool, goednummer: G6616127; 56 STK Papier, goednummer: G6617590; 1 STK Wapen, goednummer: G6617599; 1 STK Computer, goednummer: G6617654; 1 STK Computer, goednummer: G6617728; 1 STK Vest, goednummer: G6616113; 1 STK Telefoontoestel, goednummer: G
  23. Verbeurdverklaring Voorwerp 10 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder feit 1 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. Onttrekking aan het verkeer Nu de bewezen geachte feiten zijn begaan met betrekking tot de voorwerpen 2, 3, 4, en 5 en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer. Voorwerpen 6 en 9 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte werd verdacht, terwijl zij kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden dit voorwerp onttrokken aan het verkeer. Teruggave aan verdachte Niet is gebleken dat voorwerpen 1, 7, 8 en 10 zijn verkregen door of gebruikt bij het plegen van de bewezen geachte feiten. De voorwerpen dienen daarom aan verdachte te worden teruggegeven. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 209 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 9, 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Spreekt vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit. Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 medeplegen van handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie II en III, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 3 onder a van de WWM; feit 3 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie meermalen gepleegd; feit 4 overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan; feit 5 bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beslag Verklaart verbeurd: 1 STK Telefoontoestel, goednummer: G
  24. Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 DV patroon, goednummer: G6615942; 1 STK patroonhouder, goednummer: G6616129; 1 STK pistool, goednummer: G6616127; 556 STK papier, goednummer: G6617590; 1 STK wapen, goednummer: G6617599; 1 STK vest, goednummer: G6616113; 1 STK Vest, goednummer: G
  25. Gelast de teruggave aan [verdachte] van: 360,00 EUR, goednummer: 6616108; 1 STK computer, goednummer: G6617654; 1 STK computer, goednummer: G
  26. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mrs. P. Sloot en D.A. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli
  27. [...] Gerechtshof Amsterdam 1 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:
  28. Hoge Raad 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.