vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/243410-24 Datum uitspraak: 4 december 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij] in het kader van haar spreekrecht naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 24 april 2024 te Amsterdam door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg (overtreding van artikel 5 WVW). De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Verdachte heeft volgens de officier van justitie grove schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval gehad, omdat hij zich als bestuurder van een motorscooter zeer onvoorzichtig heeft gedragen. Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Volgens de raadsman kan er geen causaal verband worden vastgesteld tussen het rijgedrag van verdachte en de botsing met [benadeelde partij] . Hoewel kan worden vastgesteld dat verdachte bepaalde verkeersregels heeft overtreden, volgt hieruit niet dat het ongeval redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Verdachte haalde [getuige] links in, maar [getuige] heeft mogelijk geen richting aangegeven. Immers heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren richting te hebben aangegeven. Het naar links afslaan van [getuige] was daardoor niet voorzienbaar voor verdachte Het valt dan ook niet uit te sluiten dat [getuige] opeens naar links is uitgeweken. In dat scenario moet niet verdachte, maar [getuige] het verwijt worden gemaakt. Verdachte heeft enkel [getuige] proberen te ontwijken en is daarbij de macht over het stuur verloren. De conclusie dat als verdachte zich wel aan de maximum snelheid had gehouden, de gevolgen van het verkeersongeval zich niet hadden voorgedaan, kan op basis van het dossier niet worden getrokken, nu de bepalende factor het onverwachte links afslaan van [getuige] is geweest. Omdat er verder geen onderzoek is gedaan naar de vraag of het anders was gelopen als verdachte zich aan de maximum snelheid had gehouden, is de conclusie dat de snelheid heeft bijgedragen aan het ongeval speculatief. Ook heeft het feit dat verdachte op de andere weghelft reed niet bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat wel is voldaan aan de vereisten van causaliteit, heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het rijgedrag van [getuige] , nu dit in ieder geval een schakel is geweest in de keten die heeft geleid tot de aanrijding met [benadeelde partij] . Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat partieel vrijspraak dient te volgen voor het gedeelte van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het causale verband tussen het rijgedrag van verdachte en het ongeval. 3.3. Het oordeel van de rechtbank Feitelijke toedracht De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 24 april 2024 omstreeks 17:00 uur reed verdachte, als beginnend bestuurder, op een motorscooter op De Boelelaan in Amsterdam, komende vanuit de richting van de Van Leijenberghlaan en gaande in de richting van de Buitenveldertselaan. Achterop zijn motorscooter zat [bijrijder] . De Boelelaan bestond ter plaatse uit één rijbaan, verdeeld in twee rijstoken voor verkeer in tegengestelde richtingen. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse was 30 km/u. Op het moment dat verdachte het kruispunt met de Willem van Weldammelaan naderde, reed hij links van het verdrijvingsvlak en een doorgetrokken streep op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer. [getuige] , bestuurder van een motorscooter die op dat moment eveneens op de rijbaan van de De Boelelaan in dezelfde rijrichting als verdachte stapvoets reed, was ter hoogte van het kruispunt bezig om links af te slaan naar de Willem van Weldammelaan. Op dat moment werd [getuige] links ingehaald door verdachte, die nog steeds op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer reed. Hierbij raakte de rechterzijde van de motorscooter van verdachte de linkerzijde van de motorscooter van [getuige] . Door deze aanrijding is verdachte de macht over het stuur verloren, nog meer aan de linkerkant van de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en daardoor vrijwel frontaal tegen een tegemoetkomende fietser, [benadeelde partij] , aangereden. Zij fietste op dat moment op de fietsstrook uit tegenovergestelde richting. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte vlak voor de aanrijding met een gemiddelde snelheid van tussen de 79 en 80 km/u reed. Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval gereanimeerd en opgenomen in het ziekenhuis waar zij de eerste periode op de intensive care heeft gelegen en vervolgens is overgedragen aan de afdeling neurologie waar zij tot en met 30 mei 2024 heeft moeten verblijven. [benadeelde partij] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken knieschijf, gebroken ribben, een longkneuzing en een wervelfractuur opgelopen. Daarnaast was sprake van vetembolieën afkomstig van een femurfractuur die tot hersenletsel hebben geleid. Het letsel van [benadeelde partij] is (nog) niet hersteld en zij is nog altijd aan het revalideren. Schuld in de zin van artikel 6 WVW Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag, waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Vaststaat dat verdachte op 24 april 2024 met zijn motorscooter over De Boelelaan te Amsterdam reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terwijl hij daar niet mocht rijden. Bij het naderen van de kruising met de Willem van Weldammelaan reed hij ongeveer 79 tot 80 km/u, terwijl de maximumsnelheid daar 30 km/u is. Verdachte is op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer blijven rijden, ook toen hij een doorgetrokken streep en een verdrijvingsvlak passeerde en het kruispunt naderde. Dit alles was voor verdachte kennelijk geen reden om zijn snelheid te minderen en gebruik te maken van de mogelijkheid om in te voegen op de rijstrook bestemd voor het verkeer in zijn richting. Blijkens verdachtes eigen verklaring heeft hij geen van de drie waarschuwingsborden die voor het kruispunt aan de rechterzijde van de weg staan (een verkeersbord ‘matig uw snelheid, in/uitrit bouwplaats’, een bord ‘waarschuwing kinderen’ en een bord ‘waarschuwing fietsers en bromfietsers’) gezien. Verder heeft hij verklaard dat het voor hem van belang was om zo snel mogelijk bij zijn bestemming te zijn en dus om het verkeer dat zich voor hem bevond in te halen. Dat maakt dat hij geen oog had voor de overige verkeersdeelnemers en de situatie op de weg en meer in het bijzonder de situatie op het kruispunt. Verdachte is met zijn handelen ernstig tekort geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van een verkeersdeelnemer verwacht wordt. Dat had tot gevolg dat hij allereerst tegen [getuige] is aangereden, die blijkens de getuigenverklaringen op dat moment stapvoets op zijn motorscooter reed, zich op de juiste rijstrook op het kruispunt bevond en links af wilde slaan. Na de macht over het stuur te zijn verloren, is verdachte vervolgens frontaal op [benadeelde partij] in gereden die daar zwaar lichamelijk letsel aan heeft overgehouden. Het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval met [benadeelde partij] is met het voorgaande een gegeven. Of [getuige] bij het linksaf slaan zijn richtingaanwijzer al dan niet heeft gebruikt, doet aan het voorgaande niet af. Verdachte reed veel te hard om überhaupt op het verkeersgedrag van [getuige] te kunnen anticiperen en reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer het kuispunt over. Een eventuele onvoorzichtigheid van [getuige] kant maakt niet dat de onvoorzichtigheid van verdachte te gering zou worden om schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke mate van schuld bij verdachte kan worden bewezen. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig, de lichtste vorm van schuld, tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een zeer grove mate van schuld. Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank moet beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.