RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/767995 / HA ZA 25-970 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V., te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. S.F. Puijk, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J. Hemelaar. 1Korte samenvatting 1.1. [eiser] is eigenaar van een pand dat sinds december 2024 wordt gekraakt. [gedaagde] is een van de huidige bewoners. De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [gedaagde] onrechtmatig handelt en heeft gehandeld door zonder toestemming van [eiser] zich de toegang tot het pand te verschaffen en daarin te verblijven en aansprakelijk is voor de schade die daardoor is ontstaan. 1.2. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig handelt en heeft gehandeld door wederrechtelijk het pand binnen te dringen en te bewonen. Het beroep van [gedaagde] op het bestaan van een rechtvaardigingsgrond slaagt niet. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die in dit concrete geval maken dat het eigendomsrecht van [eiser] minder zwaar moet wegen dan zijn woon-/ huisrecht op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig handelt en heeft gehandeld, wordt toegewezen, alsmede de vordering tot vergoeding van de schade die [eiser] daardoor lijdt, nader op te maken bij staat. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 april 2025, met producties; - de conclusie van antwoord; - het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; en - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 november 2025 en de daarin genoemde processtukken. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [eiser] is een onderneming die zich bezighoudt met het beheer van, bemiddeling bij en de handel in onroerende zaken. 3.2. [eiser] is sinds 2017 eigenaar van het pand aan de [adres] en/of erfpachter van het perceel waarop dit pand staat. Het pand staat sinds medio 2023 leeg. 3.3. Op 8 januari 2025 heeft [eiser] geconstateerd dat een groep personen het pand heeft gekraakt (hierna: de bewoners). In een brief die op de deur van het pand is gehangen, staat dat het pand sinds 20 december 2024 wordt bewoond. Daarbij zijn contactgegevens (een e-mailadres) van de bewoners en van hun advocaat vermeld. 3.4. Bij brief van 9 januari 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] de bewoners gesommeerd het pand uiterlijk op 10 januari 2025 te ontruimen. Daarnaast heeft [eiser] op 14 januari 2025 bij de politie aangifte gedaan van huisvredebreuk. 3.5. Nadat de bewoners lieten weten dat zij het pand niet zouden gaan verlaten, heeft [eiser] op 10 maart 2025 in kort geding ontruiming van het pand gevorderd. Op 1 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering tot ontruiming van [eiser] afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had [eiser] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang had bij de ontruiming van het pand. 3.6. Door de kortgedingprocedure is [eiser] bekend geraakt met de identiteit van [gedaagde] . Ten tijde van deze bodemprocedure wordt het pand nog altijd door [gedaagde] en een aantal anderen bewoond. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens [eiser] , en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan lijdt, nader op te maken bij staat. De door [eiser] gestelde onrechtmatigheid is tweeledig: enerzijds stelt [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door zich in december 2024 wederrechtelijk de toegang te verschaffen tot het pand, anderzijds handelt [gedaagde] volgens [eiser] onrechtmatig door (nog steeds) wederrechtelijk in het pand te verblijven. Door beide handelingen is volgens [eiser] schade ontstaan en het is ook aannemelijk dat zich nog aanvullende schade zal voordoen, aldus [eiser] . 4.2. [gedaagde] betwist dat hij in december 2024 het pand is binnengedrongen. [gedaagde] erkent dat hij momenteel in het pand woont. De bewoning van het pand is volgens [gedaagde] niet onrechtmatig, omdat hij op grond van artikel 8 EVRM een woon-/huisrecht heeft en dit een rechtvaardigingsgrond oplevert in de zin van artikel 6:162 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover wel sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, betwist [gedaagde] dat sprake is van schade die door toedoen van [gedaagde] is ontstaan. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de door [eiser] ingestelde vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Onrechtmatig handelen 5.1. Niet in geschil is dat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] in het pand verblijft en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser] . Het eigendomsrecht wordt tot uitdrukking gebracht in artikel 5:1 BW en het Eerste Protocol bij het EVRM. Gelet op het feit dat kraken (dat wil onder meer zeggen: het wederrechtelijk vertoeven in een pand van een ander waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd) ook op grond van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar is, is de onrechtmatigheid van het wederrechtelijk verblijven in het pand door [gedaagde] gegeven. 5.2. Hetzelfde geldt voor het wederrechtelijk binnendringen van het pand, wat op grond van artikel 138a Sr eveneens strafbaar is gesteld. Weliswaar betwist [gedaagde] dat hij betrokken was bij het binnendringen van het pand in december 2024, maar hij heeft deze betwisting niet onderbouwd, bijvoorbeeld door aan te geven op welk moment hij het pand wel is gaan bewonen en/of waar hij tot die tijd verbleef. Daar tegenover staat dat (de advocaat van) [gedaagde] in zijn pleitnotitie bij de kortgedingprocedure het volgende heeft verklaard: “In december 2024 heeft cliënt het pand aan de [adres] na langdurige leegstand in gebruik genomen”. Dat [gedaagde] dit destijds heeft verklaard, is niet door hem betwist. De rechtbank is hiermee van oordeel dat [gedaagde] niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij betrokken was bij het wederrechtelijk binnendringen van het pand in december 2024. Het gevolg hiervan is dat zijn betrokkenheid bij dit handelen vaststaat, en ook de onrechtmatigheid daarvan gegeven is. 5.3. In beginsel is [gedaagde] hiermee aansprakelijk voor de schade die door zijn eigen handelen is of nog zal ontstaan. Voor zowel het wederrechtelijk binnendringen van het pand als het wederrechtelijk verblijven in het pand, geldt dat bepaalde schade, zoals [eiser] heeft gesteld, mogelijk het gevolg is van gedragingen in groepsverband en derhalve aan een grotere groep personen kan worden toegerekend. [gedaagde] is op grond van artikel 6:166 BW, indien aan de verdere voorwaarden van die bepaling is voldaan, in dit verband ook (hoofdelijk) aansprakelijk voor schade die in groepsverband is ontstaan. Beroep op rechtvaardigingsgrond slaagt niet 5.4. Een onrechtmatige daad kan op grond van artikel 6:162, lid 1 en 2 BW haar onrechtmatige karakter verliezen door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Volgens [gedaagde] is hiervan sprake. Volgens [gedaagde] wordt zijn verblijf in het pand namelijk gerechtvaardigd door het woon-/huisrecht dat hij op grond van artikel 8 EVRM geniet. Zoals de rechtbank hieronder zal toelichten, volgt zij [gedaagde] niet in dit standpunt. Daarbij kan in het midden blijven of [gedaagde] hiermee ook bedoeld heeft te zeggen dat het wederrechtelijk binnendringen van het pand gerechtvaardigd was, omdat dat niet zou leiden tot een andere uitkomst. 5.5. Rechtvaardigingsgronden kunnen volgen uit de wet, maar ook uit ongeschreven regels, zoals maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen. Waar grondrechten, zoals die vervat in het EVRM, in beginsel alleen ‘verticale werking’ hebben (dat wil zeggen: alleen direct van toepassing zijn in de relatie tussen burger en overheid), kunnen zij door de invulling van maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen ook doorwerken in de ‘horizontale’ verhouding tussen burgers onderling. In beginsel is het daarmee mogelijk dat aan grondrechten een rechtvaardigingsgrond wordt ontleend in de zin van artikel 6:162 BW. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 5.6. In de systematiek van artikel 6:162 BW hebben rechtvaardigingsgronden een uitzonderingskarakter. Dat maakt dat bij de aanvaarding en invulling daarvan terughoudendheid dient te worden betracht. Steeds moet worden nagegaan of de bijzondere omstandigheden van het geval rechtvaardigen dat de door de geschonden norm beschermde belangen van de benadeelde moeten wijken voor andere, zwaarwegende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.