← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:9603

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/3362 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. S. Ettalhaoui), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. D. Ahmed). Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Met het bestreden besluit van 29 april 2025 is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.
  2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Wat ging er aan deze zaak vooraf? 2.
  4. Eiser ontvangt sinds 7 augustus 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande. In 2018 heeft er bij de gemeente Amsterdam onderzoek plaatsgevonden naar het recht van eiser om bijstand, waarbij is vastgesteld dat eiser fraude heeft gepleegd. Eiser had vanaf de toekenning van de bijstand 41 auto kentekens op zijn naam staan. Hij gaf aan de auto’s in te kopen en weer te verkopen. Tijdens het verhoor van dit onderzoek op 23 juli 2018 heeft eiser - onder meer - het volgende verklaard: U legt mij de inlichtingen en medewerkingsplicht uit, dat begrijp ik. Ik begrijp dat ik moet doorgeven als ik auto's koop en verkoop. 2.
  5. Verweerder heeft vervolgens op 23 juli 2018 vastgesteld dat eiser fraude heeft gepleegd in de zin dat hij de inlichtingenplicht uit artikel 17 van de Pw heeft geschonden en dat om die reden aan hem een boete werd opgelegd. Totstandkoming van het besluit 3.
  6. Naar aanleiding van een signaal uit het Rijksdienst voor wegverkeer is er door verweerder een opnieuw onderzoek naar het recht van eiser op bijstand gestart. De bevinding van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 25 september
  7. Uit dit rapport blijkt volgens verweerder dat eiser 19 auto kentekens op zijn naam had staan in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 november
  8. 3.
  9. Eiser is op 8 augustus 2024 opnieuw langsgekomen bij verweerder voor een gesprek. Tijdens dit gesprek heeft eiser verklaard dat hij soms auto’s koopt voor een kennis die in het buitenland woont. De situatie is hetzelfde als in
  10. Eiser verklaart tijdens dit gesprek ook dat het om vijf à zes kennissen gaat die in Polen wonen. Eiser koopt de auto’s voor hen en zij halen deze later op. Hij verklaart ook dat hij hier geen geld voor krijgt. Hij kan de auto’s alleen voor een paar dagen gebruiken. 3.
  11. Verweerder heeft naar aanleiding van het bovenstaande met het primaire besluit van 19 november 2024 besloten de bijstand van eiser voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 november 2023 herzien. Daarnaast heeft verweerder in ditzelfde besluit een bedrag van € 16.505,72 teruggevorderd en bepaald dat dit bedrag wordt afgelost door inhouding van € 65,42 per maand op zijn bijstandsuitkering (het primaire besluit). 3.
  12. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 29 april 2025 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd. Standpunt eiser
  13. Eiser betwist dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Hij heeft aangegeven dat hij auto’s verkocht en kocht namens kennissen die in het buitenland wonen. Dat er sprake is van opzettelijk verzwijgen of misleiden is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast stelt verweerder dat er mogelijk sprake is van inkomen uit de verkoop van auto’s maar onderbouwt dit niet met concrete cijfers. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij geen geld kreeg voor zijn hulp. Er is om die reden geen sprake van duurzame of structurele economische activiteiten. Ook is de berekening van het terug te vorderen bedrag niet inzichtelijk gemaakt. Verweerder heeft nagelaten om concreet vast te stellen in welke maanden welk bedrag aan inkomsten zou zijn gegenereerd. Als laatste voert eiser aan dat hij de Nederlandse taal beperkt spreekt en leest. Verweerder had er dus niet stilzwijgend vanuit mogen gaan dat eiser de inhoudt van de ondertekening van het verhoor op 23 juli 2018 zou hebben begrepen. Oordeel van de rechtbank 5.
  14. Op grond van artikel 17 van de Pw geldt de verplichting van een bijstandsgerechtigde om aan verweerder mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand. 5.
  15. Wanneer een bijstandsgerechtigde niet aan zijn of haar inlichtingenplicht voldoet, en iemand hierdoor onterecht te veel bijstand ontvangt, moet verweerder de bijstandsuitkering herzien of intrekken. Ook moet verweerder het teveel aan bijstand ontvangen geld terugvorderen. Dit staat in artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw. 5.
  16. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van 25 september 2024 blijkt dat eiser auto’s inkocht en verkocht, zonder verweerder hiervan op de hoogte te brengen. Eisers stelling dat hij hiermee de inlichtingenplicht niet opzettelijk heeft geschonden, kan de rechtbank niet volgen. Dit strookt namelijk niet met de informatie uit het verhoor van verweerder van 2018, waarin eiser heeft verklaard te begrijpen wat de inlichtingen- en medewerkingsplicht inhoudt en dat hij het moet doorgeven als hij auto’s koopt en verkoop. Eiser heeft daarbij op zitting verklaard dat hij geen administratie van inkoop en verkoop van de auto’s heeft bijgehouden. In bezwaar heeft hij een aantal verkoopbewijzen van auto’s overgelegd maar hij beschikt niet over de bijbehorende inkoopbewijzen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft besloten dat hierdoor niet mogelijk is te bepalen hoeveel winst eiser heeft gegenereerd met de doorverkoop van de auto’s. Als gevolg is eisers recht op bijstand niet vast te stellen. Het vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is dat het aannemelijk is dat er handelstransacties hebben plaatsgevonden als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijke korte periode. 5.
  17. De niet onderbouwede stelling van eiser dat hij de Nederlandse taal niet goed verstaat maak het oordeel van de rechtbank niet anders. Het blijft de verantwoordelijkheid van eiser om, voorafgaand aan het ondertekenen van een verklaring, aan verweerder kenbaar te maken dat hij de inhoudt ervan niet begrijpt. Eisers argument dat verweerder in 2018 had moeten verifiëren of eiser de inhoud van de verklaringen begreep gaat dus niet op. Nu eiser deze verklaringen in 2018 heeft ondertekend, mocht verweerder ervan uit gaan dat hij de inhoudt van deze verklaringen heeft begrepen. 5.
  18. Ook eisers laatste beroepsgrond, namelijk dat de terugvordering niet inzichtelijk is gemaakt, kan de rechtbank niet volgen. In het dossier zit namelijk een vorderingsspecificatie van de periode van 1 januari 2019 tot 31 mei
  19. Deze vorderingsspecificatie is op 15 oktober 2024 opgemaakt. 5.
  20. Dit betekent dat verweerder terecht eisers bijstand heeft herzien en teruggevorderd. Conclusie en gevolgen
  21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 december
  22. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:29.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.