← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:968

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 25/42 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. K. Cras), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Vogelenzang). Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot in elk geval zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 1.
  3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de partner van verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de heer [naam 1] , regisseur Top600, mevrouw [naam 2] , [functie 2] Stichting [naam stichting 1] , en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.
  4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe tot aan de datum waarop het besluit op bezwaar zal worden genomen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.
  5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 2.
  6. Verzoeker is sinds 1 juli 2024 werkzaam bij Stichting [naam stichting 2] . Indien hij op korte termijn geen VOG kan overleggen, zal zijn arbeidsovereenkomst ontbonden worden en zal ontslag volgen. Hierdoor kan hij zijn inkomen verliezen en zal hij terugvallen op een uitkering. Daarnaast verliest hij bij ontslag de mogelijkheid, die Stichting [naam stichting 2] biedt, om een Hbo-opleiding te volgen. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang om de zaak inhoudelijk te behandelen.
  7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
  8. Verzoeker heeft op de zitting naar voren gebracht dat het Gerechtshof Amsterdam hem heeft vrijgesproken van diefstal in vereniging waarvoor hij op 1 september 2023 was veroordeeld door de Rechtbank Amsterdam. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van verweerder op zitting toegelicht dat deze vrijspraak logischerwijs nog niet bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terwijl verweerder dit strafbare feit wel zwaar heeft meegewogen in de besluitvorming. Verweerder zal daarom, deze vrijspraak in acht nemende, een nieuwe belangenafweging moeten maken in de beslissing op bezwaar. Daarnaast heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat in het bestreden besluit weinig aandacht is besteed aan de verklaringen van de hulpverleners en dat verweerder ook op deze verklaringen dieper zal moeten ingaan in de beslissing op bezwaar.
  9. Zo heeft verzoeker een brief van zijn regisseur bij de Top600, de heer [naam 1] , overgelegd. In deze brief verklaart de heer [naam 1] het volgende: “Met deze brief wil ik, vanuit mijn rol als regisseur Top6oo bij GGD Amsterdam, mijn zienswijze geven op het voornemen om de aanvraag van een VOG van de heer [verzoeker] af te wijzen. De heer valt sinds 2021 onder de Top600 aanpak bij GGD Amsterdam en ik ben zijn regisseur. De aanpak is erop gericht om criminaliteit terug te dringen en daders/personen een beter toekomstperspectief te bieden zodat zij niet opnieuw de fout ingaan. Allereerst wil ik benadrukken dat ik begrip heb voor de zorgen die kunnen bestaan vanwege eerdere delicten gepleegd door de heer [verzoeker] . Deze delicten waren mijn inziens mede het gevolg van ernstige psychische en sociale problemen waar de heer [verzoeker] destijds mee kampte. Sinds langere tijd is er echter een significante positieve verandering in het gedrag van de heer [verzoeker] . De heer [verzoeker] heeft zijn leven op een bewonderenswaardige wijze hersteld en heeft behandeling gevolgd en positief afgerond. De heer heeft onlangs zijn MBO 4 opleiding tot begeleider afgerond en is momenteel in afwachting van zijn diploma. Daarnaast heeft de heer [verzoeker] sinds mei 2024 een omslagwoning. Dit betreft zelfstandige huisvesting met wekelijkse begeleiding. Na evaluaties met zijn begeleidster is gebleken dat de heer [verzoeker] het erg goed doet. Zijn woning is verzorgd, er is geen overlast en de heer [verzoeker] heef een positief steunend netwerk. Deze inspanningen tonen zijn vastberadenheid en toewijding aan persoonlijke groei en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarbij is de heer [verzoeker] momenteel naar volle tevredenheid werkzaam als begeleider in de gehandicaptenzorg. Dit werk vereist een hoog niveau van verantwoordelijkheid, empathie en professionaliteit, eigenschappen die de heer [verzoeker] met succes heeft getoond. Zijn collega’s en leidinggevenden spreken lovend over zijn inzet en bijdrage aan het team en zijn werkgever wil de heer graag een vast contract aanbieden. Het niet afgeven van een VOG zal voor de heer [verzoeker] betekenen dat hij zijn werkzaamheden niet meer mag uitvoeren en zijn baan verliest. Vanuit mijn rol als regisseur ben ik bang dat, ondanks zijn inzet en de positieve resultaten, de heer [verzoeker] zijn hoop op een beter toekomst zal verliezen. Gezien voornoemde positieve ontwikkelingen, schat ik de kans op recidive laag.” Op de zitting heeft de heer [naam 1] deze verklaring bevestigd en aangevuld. Volgens de heer [naam 1] staat bij verzoeker achter elk doel van de behandeling een groen vinkje. Hij is een voorbeeld van succes bij de hulpverlening via de Top
  10. Ook heeft verzoeker een brief van zijn [functie 2] bij Stichting [naam stichting 1] , mevrouw [naam 2] , overgelegd. Zij verklaart in deze brief het volgende: “In de afgelopen periode heeft [verzoeker] meerdere positieve veranderingen doorgevoerd, waaronder: Werk en opleiding: Hij werkt 36 uur per week bij Stichting [naam stichting 2] , een fulltime dienstverband dat hem een stabiel inkomen biedt. Daarnaast volgt hij de MBO-4 opleiding Social Work, waarin hij binnenkort zijn diploma zal behalen. Zijn toekomstdoel is om, na afronding van zijn studie, social worker te worden. Hij wil zijn ervaringen gebruiken om jongeren te begeleiden en te ondersteunen bij het maken van positieve keuzes. Financiële stabiliteit: [verzoeker] heeft zijn financiën goed op orde. Hij betaalt zijn huur en overige vaste lasten altijd op tijd en heeft geen schulden. Inkomensbeheer is niet nodig gebleken, omdat hij zelfstandig zijn financiële verplichtingen nakomt. Sociale en emotionele stabiliteit: Om zijn nieuwe visie op het leven te realiseren, heeft hij afstand genomen van zijn oude sociale netwerk. Dit heeft hem geholpen om een gezondere omgeving voor zichzelf te creëren. Hij heeft nu een ondersteunend en stabiel netwerk zonder invloeden die hem eerder in problemen brachten. Er is in onze optiek geen enkele zorg of aanleiding om te veronderstellen dat [verzoeker] door zijn verleden een gevaar zou vormen. Hij is zeer begeleidbaar, toont openheid in communicatie en heeft bewezen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn keuzes en daden. Zijn sterke motivatie om zijn leven in de juiste banen te leiden en zijn inzet in zowel werk als opleiding bevestigen zijn stabiliteit en vastberadenheid om bij te dragen aan de maatschappij.”
  11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd, nu de hulpverleners van verzoeker geen risico op recidive zien en alleen maar positieve ontwikkelingen benadrukken over de afgelopen jaren waarin zij met verzoeker hebben gewerkt. Bij deze stand van zaken, alle belangen afwegend en benadrukkend dat de bevoegdheid van verweerder niet wordt doorkruist met deze beslissing, wijst de voorzieningenrechter het verzoek daarom toe, inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft geen bevoegdheid om een VOG af te geven. Dat is en blijft de bevoegdheid van verweerder. Het is uiteindelijk aan verweerder om alle belangen nogmaals af te wegen in de beslissing op bezwaar en te bekijken of tot afgifte van de VOG kan worden overgegaan. De voorzieningenrechter wil met toekenning van de voorlopige voorziening aan verzoeker en zijn werkgever, Stichting [naam stichting 2] , het vertrouwen geven dat verzoeker in ieder geval totdat de beslissing op bezwaar wordt genomen kan blijven werken bij [naam stichting 2] en daarnaast uitspreken dat verzoeker op de goede weg is.
  12. De voorzieningenrechter benadrukt tot slot dat de voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De bevoegdheid om al dan niet een VOG af te geven ligt bij verweerder met het nemen van de beslissing op bezwaar. Indien de toewijzing van de voorziening langer zou doorlopen na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar zou de voorzieningenrechter te veel op de stoel van verweerder plaatsnemen. Zo ver wil de voorzieningenrechter niet gaan. Indien in de beslissing op bezwaar negatief wordt beslist door verweerder, kan verzoeker hangende beroep tegen dat besluit op bezwaar desgewenst een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Conclusie en gevolgen 9.1 De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie bij Stichting [naam stichting 2] . Deze voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 9.
  13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit; - bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie bij Stichting [naam stichting 2] ; - bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 februari
  14. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.