RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 11903563 \ EA VERZ 25-1126 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van een verzoek van 4 december 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: werkneemster, gemachtigde: mr. M. Kluft, tegen de stichting REGIONAAL OPLEIDINGEN CENTRUM VAN AMSTERDAM-FLEVOLAND, te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: werkgever, gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam. De zaak wordt behandeld door mr. C. Kraak, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Hillebrink als griffier. Aanwezig zijn: - [verzoeker] in persoon, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door de gemachtigde; - namens werkgever [naam 2] (HR-adviseur) en [naam 3] (arbeidsjurist), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. 1De feiten 1.
- Partijen hebben met elkaar een LIO-overeenkomst gesloten voor de periode van 16 november 2022 tot en met 31 augustus
- Vervolgens hebben partijen een tweede LIO-overeenkomst gesloten voor de periode van 19 september 2023 tot en met 31 juli
- Daarna zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met elkaar aangegaan met ingang van 1 augustus 2024 tot en met 31 juli 2025, voor 32 uur per week. 1.
- Nadat werkneemster had meegedeeld dat zij slechts 8 uur per week kon werken, heeft werkgever de arbeidsovereenkomst op 30 augustus 2024 tijdens de proeftijd beëindigd. Vervolgens maakte werkneemster hiertegen bezwaar en hebben partijen daarover gecorrespondeerd. Op 10 september 2024 is werkneemster opnieuw werkzaamheden voor werkgever gaan verrichten. 1.
- Op 23 mei 2025 heeft werkgever aan werkneemster meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. 2De beoordeling 2.
- Tussen partijen is in geschil of al dan niet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 7:668a BW is ontstaan. 2.
- Uit artikel 2.3 lid 3 van de Cao Middelbaar beroepsonderwijs volgt dat bij tijdelijke uitbreidingen van de betrekkingsomvang die niet leiden tot een werktijdfactor groter dan 1 eveneens hetgeen is bepaald in artikel 7:668a BW geldt. 2.
- Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat het ontslag tijdens de proeftijd is teruggedraaid en is afgesproken dat de bestaande arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet, waarbij de uren worden verlaagd van 32 uur naar 28 uur met ingang van 1 oktober
- Dit staat letterlijk in de mails van beide partijen van 30 september 2024 en van 1 oktober
- Ook volgt uit het feit dat werkneemster in augustus en september 2024 de volledige 32 uur is uitbetaald dat er in september 2024 niet een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten voor 8 uur per week. Werkneemster is vanaf 1 oktober 2024 28 uur per week gaan werken tot in ieder geval 1 februari
- Daarbij gaat het niet om een uitbreiding, maar om een vermindering. Gelet op het voorgaande is sprake van één arbeidsovereenkomst voor deze periode. De vraag of daarna een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan omdat werkneemster vanaf 1 februari 2025 32 uur zou zijn gaan werken (wat overigens niet is gebleken) is niet relevant. Dan zou slechts sprake zijn van twee contracten voor bepaalde tijd, zodat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Hetzelfde geldt voor de tweede LIO-overeenkomst. Zelfs indien deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst zou worden aangemerkt (wat gelet op de betwisting van werkgever niet het geval is), wordt het maximum aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet overschreden. 2.
- De conclusie is dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die rechtsgeldig van rechtswege is geëindigd. De verzoeken van werkneemster worden dan ook afgewezen. Werkneemster zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van ROC vast op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 nakosten. 3De beslissing De kantonrechter 3.
- wijst het verzoek af; 3.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ROC van € 881,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Deze mondelinge beschikking is gegeven door mr. C. Kraak, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december
- Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.