RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam raadkamernummer : 25-011110 parketnummer: : 81-074696-22 beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] (Suriname), woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadslieden mr. Y.E.A. Buruma en mr. A.J.M. Swart, Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag, hierna te noemen: klager, tevens beslagene. Procesgang Klager heeft op 6 december 2023 bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend met betrekking tot onder hem en derden in beslag genomen gegevensdragers. Klager beroept zich op zijn verschoningsrecht als arts. De gegevensdragers zouden geheimhoudersinformatie bevatten. Tegen klager en andere artsen bestaat de verdenking van omkoping. Vanwege de mogelijke geheimhoudersinformatie op de gegevensdragers is van het begin af aan een rechter-commissaris betrokken bij het ontsluiten van de informatie op deze gegevensdragers. Bij beslissing van 25 april 2024 heeft de rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard wat betreft een achttal bestanden en bevolen dat deze bestanden worden vernietigd dan wel zodanig worden uitgegrijsd dat de toegang daartoe niet meer mogelijk is. Klager heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingediend. Bij beschikking van 15 april 2025 heeft de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank van 25 april 2024 gedeeltelijk vernietigd en ter verdere behandeling en afdoening verwezen naar de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft op 24 juni 2025 de zaak opnieuw in openbare raadkamer behandeld. Bij beslissing van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend. De rechtbank concludeerde dat klager aan het verzoek voldoende concreet aangeduide feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die erop wijzen dat aan de bevolen vernietiging van de gegevens niet of onvoldoende mate uitvoering is gegeven. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het overgelegde proces-verbaal van de opsporingsambtenaar Forensisch IT Expert tevens medewerker geheimhouding, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, niet blijkt waaruit de daarin genoemde waarborgen, restricties en autorisaties bestaan. De rechtbank acht zich dan ook niet in staat te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. De rechtbank heeft vervolgens de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om hiernaar onderzoek te verrichten, waarbij in ieder geval inzicht wordt verkregen in de concrete manier waarop de waarborgen, restricties en autorisaties binnen het FIOD-systeem zijn geregeld. De rechter-commissaris heeft op 6 oktober 2025 zijn bevindingen geverbaliseerd, welk proces-verbaal voorafgaand aan de raadkamerbehandeling van 16 december 2025 is verspreid. De conclusie luidde als volgt: Tegen het zichtbaar worden voor rechercheurs van vertrouwelijke informatie zijn twee barrières opgeworpen: een technische en een duidelijke werkinstructie. Een opsporingsambtenaar die doelbewust probeert om vertrouwelijke gegevens te achterhalen handelt dus te kwader trouw. (…) Hoe een (hypothetische) kwaadwillige opsporingsambtenaar de technische blokkade bij de toegang tot verschoningsgerechtigde informatie zou kunnen omzeilen, is mij niet duidelijk. Zelfs als dat zou lukken of een rechercheur zou door een technische onvolkomenheid of een menselijke fout toch onbedoeld inzage krijgen in verschoningsgerechtigde informatie, dan nog geldt de tweede barrière: de duidelijke werkinstructie om dit direct te melden en de desbetreffende case uit te grijzen in afwachting van een beslissing van de rechter-commissaris. Al met al is naar mijn oordeel voldoende gewaarborgd dat verschoningsgerechtigde informatie tijdens en na het filteringsproces ontoegankelijk blijft voor onbevoegden. In raadkamer heeft de raadsman van klager verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.