RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht kantonrechter: mr. J.M.B. Cramwinckel zaaknummer: 11876388 WM VERZ 25-16143 beslissing van: 14 januari 2026 func.: 65186 Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 14 januari 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van: Leaseplan Nederland N.V. [adres] Almere (verder: betrokkene) voor wie beroep is ingesteld door mr. M. Lagas van Appjection B.V. (verder: gemachtigde) welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 27 augustus 2024 en is gericht tegen de beslissing van 19 juli 2024 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene. CJIB-nummer: [nummer] VERLOOP VAN DE PROCEDURE Aan betrokkene is bij beschikking van 28 april 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 14 januari
- Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen. Namens gemachtigde is de heer [naam] bij de zitting verschenen. Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden vanwege schending van de hoorplicht en dat het beroep voor het overige ongegrond is. GRONDEN VAN DE BESLISSING
- Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, een weg is gebruikt in strijd met een eenrichtingsweg dan wel geslotenverklaring op een andere weg dan een auto(snel)weg. Deze gedraging is geconstateerd op 17 april 2024 om 10:37 uur op de Kleine Houtstraat te Amsterdam.
- Het beroep is tijdig ingesteld.
- Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene niet ontkent de vermeende gedraging te hebben verricht, maar stelt dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen. Betrokkene heeft aangegeven dat hij werd omgeleid, omdat twee straten zijn wijk uit waren geblokkeerd door werkzaamheden. Betrokkene volgde de aangegeven alternatieve route. Hij zou daarom geen boete hiervoor moeten krijgen. Verder stelt gemachtigde dat in de onderhavige zaak ten onrechte niet is staande gehouden. De verbalisant verklaart alleen dat de bestuurder van hem wegreed, maar uit het zaakoverzicht blijkt niet dat de verbalisant te voet was en hij niet achter de bestuurder van het onderhavige voertuig aan had kunnen rijden. De verbalisant had in een uitgebreidere verklaring moeten aangeven waarom hij het voertuig van betrokkene niet heeft kunnen volgen om de bestuurder staande te houden. Het was een bewuste keuze van de verbalisant om niet staande te houden. Het wegrijden van het betrokken voertuig maakt op zichzelf niet dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Bovendien lijkt uit het zaakoverzicht te volgen dat de verbalisant wel stopmiddelen tot zijn beschikking had, want dit wordt immers niet uitdrukkelijk tegengesproken. De boete is daarom ten onrechte met toepassing van artikel 5 Wahv aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Namens betrokkene wordt verzocht om een proceskostenvergoeding.
- Op de zitting heeft gemachtigde het beroepschrift nader toegelicht. Gemachtigde stelt dat nog steeds niet duidelijk is waarom het onmogelijk was om betrokkene staande te houden. Betrokkene zag de verbalisanten immers langsrijden in een burgerauto en betrokkene kon ook niet hard heb gereden op de vermeende pleeglocatie. Nu er geen aanvullende verklaring van de verbalisant omtrent het niet staande houden is ingebracht, verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de inleidende beschikking te vernietigen. Subsidiair verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de sanctie te matigen met 25%, omdat gemachtigde als gevolg van een fout van de CVOM niet is gehoord in de onderhavige zaak. Volgens gemachtigde is sprake van een structurele schending.
- Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de gedraging kan worden vastgesteld. De gedraging wordt ook niet ontkend. Daarnaast stelt verweerder dat de verbalisant voldoende heeft uitgelegd waarom staandehouding niet mogelijk was. Verder geeft verweerder aan dat in de onderhavige zaak vanwege de schending van de hoorplicht de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroepschrift vernietigd dient te worden. Volgens verweerder geeft deze schending echter geen aanleiding tot matiging van de sanctie, omdat in dit geval geen sprake is van structurele schending van de hoorplicht.
- Het volgende wordt overwogen.
- De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht: “Ik zag dat de weg werd gebruikt in de richting waarin deze gesloten is. De tekst op het onderbord luidde: “Behalve (brom-)fietsen”. De uitzondering(en), genoemd op het onderbord, was (waren) niet van toepassing”. De bestuurder is niet staande gehouden. De verbalisant verklaart hier het volgende over: “Reden geen staandehouding: Voertuig reed de andere kant op. Druk met keren”.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Naar het oordeel van de kantonrechter is de verklaring van de verbalisant ‘Voertuig reed de andere kant op. Druk met keren’ op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Zonder nadere toelichting van de verbalisant valt niet in te zien waarom de verbalisant het voertuig van betrokkene niet heeft kunnen volgen om de bestuurder vervolgens staande te houden. Gelet op de pleeglocatie kan niet worden uitgesloten dat als het voertuig van betrokkene de andere kant op reed, de verbalisant en de bestuurder elkaar zijn gepasseerd. Evenmin is duidelijk geworden wat de verbalisant exact bedoelt met ‘druk met keren’. In de onderhavige zaak was een aanvullend proces-verbaal met een aanvullende verklaring van de verbalisant op zijn plaats geweest. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Dit brengt mee dat de sanctie ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De kantonrechter verklaart het beroep daarom gegrond. De overige namens betrokkene aangevoerde argumenten behoeven geen nadere bespreking meer. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:
- Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, is er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
- De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht: - het indienen van een administratief beroep bij verweerder; - het indienen van beroep bij de kantonrechter; - en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
- Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 934,
- Gelet op het voorgaande worden in deze zaak voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het administratief beroep 1 punt ad € 666,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,
- Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 316,75 ((1x666+ 2x934) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor)).
- Daarom wordt beslist als volgt. BESLISSING De kantonrechter: verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking; bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd; - kent aan betrokkene ten laste van verweerder een kostenvergoeding toe van € 316,
- De griffier De kantonrechter Datum verzending Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.