← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:1322

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11845952 \ CV EXPL 25-11360 Vonnis van 6 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STARSPACE MARKETING B.V., te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Starspace, gemachtigde: mr. drs. J.J.F.M. Konings, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde] , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Op 13 februari 2025 hebben [gedaagde] en Starspace een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond van die overeenkomst zou Starspace een recruitment marketingcampagne uitvoeren voor het werven van een nieuwe kok voor de horecaonderneming van [gedaagde] , een strandpaviljoen. Volgens de opdrachtbevestiging nam [gedaagde] voor de marketingcampagne bij Starspace twee campagnemaanden en één business partnership af. De kosten bedroegen € 2.500 per campagnemaand en € 250 voor het business partnership, beiden exclusief btw. 2.
  4. Op 17 februari 2025 heeft Starspace twee facturen aan [gedaagde] gestuurd. Eén factuur betrof de kosten voor de twee campagnemaanden à € 6.050,- inclusief btw en de andere factuur betrof de kosten voor het business partnership à € 302,50 inclusief btw. 2.
  5. De campagneperiode zou gaan lopen zodra [gedaagde] opdracht gaf voor start van de eerste campagnemaand. In maart 2025 is Starspace de eerste campagnemaand gestart. 2.
  6. Op 13 maart 2025 klaagt [gedaagde] bij een werknemer van Starspace over het verloop van de eerste campagnemaand en de kandidaten. [gedaagde] schrijft op die datum in een Whatsapp-bericht ook: “En mijn mening is onveranderd. 1 maand is meer dan genoeg. Ik wil geen tweede maand afnemen. En ik snap dat ik heb getekend voor 2 maar toen wist ik nog niet wat er allemaal zou gebeuren. (…) Voor mijn part haal je per direct alles offline. Het werkt niet voor ons.” 2.
  7. Op 14 maart 2025 schrijft de medewerker van Starspace in reactie op dat bericht: “(…) Ik kan intern helaas niets meer veranderen aan de factuur of maanden, ik denk echt dat het het beste is om naar oplossingen te kijken om de campagne maanden positief te laten eindigen. Ik zal de campagne nu even op pauze zetten totdat we weten hoe we verdergaan.” 2.
  8. Op 18 maart 2025 dringt diezelfde medewerker van Starspace aan op betaling van de facturen en schrijft: “(…) Helaas kwam de administratie weer naar me toe dat er dringend betaald moet worden. Het betaaltermijn van 14 dagen is allang verstreken. We werken samen met een incassobureau en dat is niet hoe ik dit wil oplossen. Maar als er niet betaald wordt, zijn we helaas genoodzaakt”. 2.
  9. [gedaagde] heeft de tweede campagnemaand uiteindelijk niet ingezet en de facturen, ondanks sommaties, niet betaald. 3Het geschil 3.
  10. Starspace vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.338,15 (bestaande uit de hoofdsom van € 6.352,50, rente en buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente vanaf de dagvaarding en kosten, uitvoerbaar bij voorraad. 3.
  11. [gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de vordering. [gedaagde] wil niet voor de tweede campagnemaand betalen. Zijn wensen werden niet goed verwerkt in de campagne, er werd geknutseld met zijn bedrijfslogo en door het schrappen van vereisten als een koksopleiding en werkervaring leverde de campagne geen serieuze kandidaten op. 4De beoordeling [gedaagde] heeft de overeenkomst van opdracht tussentijds opgezegd 4.
  12. [gedaagde] voert in deze procedure alleen verweer tegen de vordering voor zover die ziet op betaling aan Starspace van de kosten voor de tweede campagnemaand. De kantonrechter begrijpt zijn verweer als een beroep op tussentijdse opzegging in de zin van art. 7:408 lid 1 BW. Dat beroep slaagt. 4.
  13. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen Starspace en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht is in de zin van art. 7:400 lid 1 BW. Art. 7:408 lid 1 BW bepaalt dat de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht “te allen tijde” mag opzeggen. 4.
  14. Uit de stukken en het besprokene ter zitting begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] tijdens de eerste campagnemaand al zo ontevreden was geraakt over de uitvoering van de opdracht door Starspace dat hij helemaal niet meer verder wilde met de marketingcampagne. In zijn bericht van 13 maart 2025 zette [gedaagde] die klachten uiteen en schreef hij: “Ik wil geen tweede maand afnemen. (…) Voor mijn part haal je alles direct offline. Het werkt niet voor ons.” De kantonrechter leest in dat bericht de bedoeling van [gedaagde] om de overeenkomst van opdracht op dat moment tussentijds te beëindigen. Ter zitting heeft [gedaagde] bevestigd dat hij op dat moment inderdaad de tweede campagnemaand niet meer wilde afnemen. Starspace heeft dat niet weersproken. 4.
  15. [gedaagde] kon ook op dat moment de overeenkomst van opdracht opzeggen. De opdracht tot het uitvoeren van de campagne duurde zolang de door [gedaagde] ingezette campagnemaanden liepen. [gedaagde] kon de campagnemaanden ook los van elkaar inzetten. De tweede campagnemaand was op 13 maart 2025 nog niet ingezet of begonnen, waardoor de opdracht door Starspace dus nog niet volledig was uitgevoerd. Dat blijkt ook uit het feit dat de medewerker van Starspace op 20 maart 2025 aan [gedaagde] schrijft dat hij de campagne op pauze zal zetten. Daarmee bestond op 13 maart 2025 dus nog de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging. 4.
  16. Starspace heeft hiertegen slechts aangevoerd dat partijen nu eenmaal hadden afgesproken dat [gedaagde] twee campagnemaanden zou afnemen en dat hij die van tevoren zou betalen. Dat partijen van tevoren een afspraak maken over de inhoud en duur van de opdracht en voor die opdracht betaling vooraf hebben afgesproken doet volgens de kantonrechter niet af aan de mogelijkheid die opdracht tussentijds te beëindigen zolang die nog niet is voltooid. 4.
  17. Weliswaar heeft [gedaagde] later, in mei en juni 2025, bevestigd dat hij de overeenkomst was aangegaan voor twee campagnemaanden en heeft hij erkend dat hij een betalingsverplichting had tegenover Starspace, maar dit maakt niet dat de opzegging geen stand houdt. [gedaagde] heeft hierover verklaard dat hij zich destijds in een zeer moeilijke periode bevond, onder andere door de nasleep van een bomaanslag in zijn strandpaviljoen. Hij heeft door die omstandigheden, en vanwege de dreiging met incassomaatregelen door Starspace, destijds niet verder in een discussie willen raken. Die verklaring komt de kantonrechter niet onlogisch of onredelijk voor. [gedaagde] erkent ook nog altijd dat hij een deel van de vordering (voor de eerste campagnemaand en het business partnership) moet voldoen. Tijdens deze procedure heeft [gedaagde] duidelijk zijn eerdere standpunt gehandhaafd dat hij de tweede campagnemaand niet wil afnemen en daarvoor dus niet wil betalen. Toegewezen hoofdsom 4.
  18. In geval van tussentijdse opzegging bepaalt art. 7:411 lid 1 BW dat de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. In de overeenkomst is als prijs per campagnemaand een bedrag van € 2.500 exclusief btw overeengekomen. Ter zitting heeft [gedaagde] echter aangegeven dat de prijs per campagnemaand lager was wanneer meerdere campagnemaanden werden afgenomen. Zonder de korting was de prijs voor één campagnemaand € 3.000 exclusief btw geweest. De kantonrechter acht het daarom redelijk om aan te sluiten bij dat bedrag als loon voor de campagnemaand die [gedaagde] heeft afgenomen. Dat leidt tot toewijzing van een hoofdsom van € 3.932,50, bestaande uit de kosten voor één campagnemaand (een bedrag van € 3.630,00 inclusief btw) en de kosten voor het business partnership (een bedrag van € 302,50 inclusief btw). Rente 4.
  19. Starspace heeft de wettelijke handelsrente gevorderd over de te betalen hoofdsom, voor de periode vanaf vervaldatum factuur tot aan datum dagvaarding en vanaf datum dagvaarding tot aan algehele voldoening. Nu sprake is van een handelsovereenkomst zal die rente worden toegewezen. Voor de periode vanaf vervaldatum factuur (3 maart 2025) tot aan datum dagvaarding (21 juli 2025) bedraagt de verschuldigde rente over de toegewezen hoofdsom € 166,
  20. Dat bedrag zal worden toegewezen. De rente wordt verder toegewezen vanaf datum dagvaarding. Buitengerechtelijke incassokosten 4.
  21. Starspace vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 518,25 worden toegewezen. Starspace vordert over de buitengerechtelijke incassokosten de wettelijke handelsrente, maar daarover is alleen wettelijke rente o.g.v. art. 6:119 BW toewijsbaar. Daarom zal de wettelijke rente o.g.v. art. 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Proceskosten 4.
  22. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Starspace worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 123,73 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 339,00 (1 punt × € 339,00) - nakosten € 119,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.124,73 4.
  23. Starspace vordert over de proceskosten de wettelijke handelsrente, maar daarover kan alleen wettelijke rente o.g.v. art. 6:119 BW worden gevorderd. Daarom zal de wettelijke rente o.g.v. art. 6:119 BW over de proceskosten worden toegewezen. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  24. veroordeelt [gedaagde] om aan Starspace te betalen een bedrag van € 4.098,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 3.932,50, met ingang van 21 juli 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.
  25. veroordeelt [gedaagde] om aan Starspace te betalen een bedrag van € 518,25 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 5.
  26. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.124,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  27. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
  28. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  29. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.