vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/016576-25 (A) en 13/106209-24 (B, ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 6 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2026. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van wat mr. R.H. Bouwman, advocaat van de benadeelde partijen, namens hen naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Zaak A 1. belaging van [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 januari 2025 in Amsterdam; 2. belaging van [benadeelde partij 2] in de periode van de 1 december 2023 tot en met 15 januari 2025 in Amsterdam. Zaak B belaging van [persoon 2] in de periode van 27 april 2023 tot en met 26 maart 2024 in Amsterdam. De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Aangeefsters [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), mede namens haar zoon [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) hebben uitgebreid verklaard over de belaging door verdachte. Hij stuurde hun berichten via Whatsapp en via (nep)accounts op Facebook. Ook werden zij bijna dagelijks gebeld. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefsters heeft gestalkt, omdat hij zijn spullen terug wilde van [persoon 2] . Er kunnen veel telefoonnummers aan verdachte worden gekoppeld. Ook de nepaccounts op Facebook op naam van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] kunnen aan (een telefoonnummer van) verdachte worden gekoppeld. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft in zaak A bepleit dat de volgende Facebook accounts en telefoonnummers aan verdachte kunnen worden gekoppeld: Facebook accounts: de nepaccounts van de profielen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (via de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon met het goednummer 6607171) en verdachte zijn eigen account ( [naam 5] ); Telefoonnummers eindigend op: * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde belaging van [persoon 1] . Er kan enkel worden vastgesteld dat verdachte hem vaak heeft gebeld op 5 oktober 2024 en twee keer op 20 en 22 november 2024 (* [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Dit levert geen stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op. Ten aanzien van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde belaging van [benadeelde partij 1] heeft de raadsvrouw bepleit dat slechts kan worden bewezen dat verdachte haar heeft belaagd in de periode van 23 september 2024 tot en met 9 januari 2025 in de vorm van bellen (* [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ), sms’en (* [telefoonnummer] ) en benaderen via Facebook (Messenger) met de profielen [naam 2] en [naam 4] ). De accounts van [naam 6] en [naam 7] zijn aangemaakt vanaf het IP-adres van [benadeelde partij 1] zelf en de berichten van het account [naam 1] vallen buiten de ten laste gelegde periode. Wat betreft de in zaak A onder 2 ten laste gelegde belaging van [benadeelde partij 2] kan slechts worden bewezen dat verdachte haar in de periode van 26 september 2024 tot en met 14 januari 2025 heeft gebeld (* [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak B ten laste gelegde belaging van [persoon 2] . Verdachte bekent dat hij op meerdere momenten contact heeft opgenomen met [persoon 2] , maar dit was in verband met de legitieme reden dat hij zijn spullen terug wilde hebben. In dat licht moeten ook de twee briefjes in de brievenbus worden gezien met het verzoek om contact met hem op te nemen (* [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Wat betreft de ontmoeting bij de school van de dochter van [persoon 2] geldt dat dit een toevallige ontmoeting was. Verdachte woonde toen nog in de omgeving van die school en fietste toevallig langs, waarna hij werd geroepen door de dochter van [persoon 2] en hij naar hen is teruggefietst. Van deze ontmoeting heeft verdachte foto’s op Facebook ( [naam 1] ) geplaatst en gereageerd met zijn eigen account [naam 5] , maar van andere Facebook berichten is niet gebleken. Voor het veelvuldig bezoeken van de woning van [persoon 2] is geen ondersteunend bewijs. Ten aanzien van het veelvuldig bellen geldt dat de overgelegde screenshots van gemiste oproepen van een telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) zijn dat niet aan verdachte kan worden gekoppeld. 4.3. Oordeel van de rechtbank Voor een bewezenverklaring van belaging in de zin van artikel 285b Wetboek van Strafrecht (Sr), moet onder meer sprake zijn van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op een anders persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling of daarvan sprake is zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder ze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het kan daarbij gaan om herhaling van dezelfde activiteit, maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Niet vereist is dat het slachtoffer ten gevolge van de inbreuk op zijn of haar persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten wat hij of zij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan, mits in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend is een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager. 4.3.1. Ten aanzien van zaak A onder 1: belaging van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] [benadeelde partij 1] heeft op 6 oktober 2024 (mede namens haar zoon [persoon 1] ), 17 oktober 2024 en 2 januari 2025 aangifte gedaan van belaging door verdachte. [benadeelde partij 1] heeft - samengevat - verklaard dat zij en haar zoon vanaf juli 2024 bijna dagelijks werden gebeld en dat zij vermoedde dat verdachte hierachter zat. Het waren iedere keer andere nummers en als er werd opgenomen dan werd er niets gezegd. Ook stuurde verdachte WhatsApp berichten (waaronder een excuusbericht op 31 juli 2024) en stuurde hij dagelijks berichten via nepaccounts op Facebook ( [naam 6] , [naam 7] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] ). [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat er op het account van [naam 7] een profielfoto is geplaatst van haar met daarbij de tekst heks en hoer. De telefoonnummers waarmee de WhatsApp berichten zijn gestuurd eindigen op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . De telefoonnummers waardoor [benadeelde partij 1] is gebeld eindigen op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Verdachte heeft op zitting bekend dat hij [benadeelde partij 1] veel heeft gebeld. Uit het dossier blijkt ook dat [persoon 1] is gebeld, namelijk veelvuldig op 5 oktober 2024 (* [telefoonnummer] ) en twee keer op 20 en 22 november 2024 (* [telefoonnummer] ). De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de telefoonnummers waarmee [benadeelde partij 1] en [persoon 1] zijn gebeld en waarmee via WhatsApp tekstberichten en afbeeldingen zijn gestuurd aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het Whatsappbericht van 31 juli 2024 is verstuurd met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Bij de aanhouding van verdachte op 4 augustus 2024 vanwege het overtreden van zijn schorsende voorwaarden, is een mobiele telefoon aangetroffen waaraan dit nummer gekoppeld is. Verder zijn er bij de aanhouding van verdachte op 15 januari 2025 vier telefoons (waaronder een iPhone waaraan het nummer eindigend op * [telefoonnummer] is gekoppeld) en vijftien simkaarten aangetroffen. De telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] hebben verbinding gehad met het IMIE-nummer [nummer] en dit IMEI-nummer is gekoppeld aan een mobiele telefoon van het merk en type Nokia 106. Deze nummers straalden veel de zendmasten aan die zijn gelegen op de adressen [adres 2] en [adres 3] . Deze zendmasten zijn gelegen op 105 en 200 meter van de verblijfplaats van verdachte (tot eind 2024) aan de [adres 4] . Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij zo een Nokia heeft gehad. Ook de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] hebben verbinding gehad met de Nokia 106 en straalden aan op de zendmast [adres 3] . Bovendien is er van het nummer * [telefoonnummer] een simkaart aangetroffen in de woning van verdachte. Ook van het nummer eindigend op * [telefoonnummer] is een simkaart aangetroffen en dit nummer kan voorts worden gekoppeld aan de telefoon die naast het bed van verdachte is gevonden (*eindigend op [telefoonnummer] ). Aan deze telefoon zijn ook de nepaccounts op Facebook met de namen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] gekoppeld. Verdachte heeft ook bekend dat hij deze accounts heeft aangemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de nepaccounts [naam 6] en [naam 7] niet aan verdachte worden gekoppeld. Uit het dossier blijkt dat deze accounts zijn aangemaakt op het IP-adres van [benadeelde partij 1] en er is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Nu de vijfde ten laste gelegde gedraging en het plaatsen van een foto van [benadeelde partij 1] als profielfoto (op het account van [naam 7] ) met daarbij de tekst ‘heks en hoer’ aan deze accounts zijn verbonden, zal verdachte hiervan worden vrijgesproken. Voor wat betreft het nepaccount [naam 1] geldt dat wel is komen vast te staan dat dit toebehoort aan verdachte, maar de berichten die [benadeelde partij 1] van dit account heeft gekregen vallen buiten de ten laste gelegde periode. Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] kan niet aan verdachte gekoppeld worden. Ten aanzien van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] overweegt de rechtbank dat uit het dossier alleen is op te maken dat dit, aan verdachte te koppelen nummer, gebeld heeft met [persoon 3] , de echtgenoot van [benadeelde partij 1] , en niet met [benadeelde partij 1] of haar zoon. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door het (veelvuldig) bellen met verschillende telefoonnummers van zowel [benadeelde partij 1] als haar zoon [persoon 1] , in onderling verband en samenhang bezien, het sturen van tekstberichten en afbeeldingen via WhatsApp aan [benadeelde partij 1] en het sturen van (negatieve) berichten via de nepaccounts op Facebook op naam van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , heeft schuldig gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] . Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde. 4.3.2. Ten aanzien van zaak A onder 2: belaging van [benadeelde partij 2] heeft op 15 januari 2025 aangifte gedaan van belaging door verdachte. [benadeelde partij 2] heeft - samengevat - verklaard dat de belaging is begonnen rond december 2023. Zij kreeg via Facebook een vriendschapsverzoek van het account [naam 1] en ontving allerlei berichten via Facebook Messenger. Op het profiel van [naam 1] stonden allerlei foto’s en video’s van haar zus [persoon 2] met allerlei aantijgingen. Nadat dit account was verwijderd, werd [benadeelde partij 2] benaderd via Facebook Messenger door het account [naam 2] . Zij is in gesprek gegaan met de persoon achter het profiel, om ervoor te zorgen dat het zou stoppen. Dit heeft niet geholpen. Iedere keer kwamen er andere accounts bij. [benadeelde partij 2] is ook via Facebook Messenger benaderd door het account [naam 3] ( [naam 4] ). Dit vond zij opvallend, omdat het haar achternaam is en de voornaam van het eerdere profiel ( [naam 1] ). Vanaf juli 2024 werd [benadeelde partij 2] regelmatig gebeld door verschillende telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij [benadeelde partij 2] vaak heeft gebeld. De door [benadeelde partij 2] genoemde telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ) kunnen onder verwijzing naar hetgeen in rubriek 4.3.1. is overwogen aan verdachte worden gekoppeld. Wat betreft de overige telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ) geldt dat ook van deze telefoonnummers (verpakkingen van) simkaarten in de woning van verdachte zijn aangetroffen en/of deze telefoonnummers in verbinding hebben gestaan met voornoemde Nokia 106 en de zendmast [adres 3] hebben aangestraald en om die reden aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het nummer eindigend op * [telefoonnummer] kan niet aan verdachte worden gekoppeld. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] veelvuldig heeft gebeld. Voor wat betreft de nepaccounts waarmee [benadeelde partij 2] via Facebook (Messenger) is benaderd, geldt dat hiervoor is vastgesteld dat deze accounts aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het feit dat [benadeelde partij 2] heeft gereageerd op de berichten van het account [naam 2] , valt te begrijpen vanuit de wens dat de contactpogingen zouden stoppen en betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte door mocht blijven gaan met zijn gedrag en er geen sprake (meer) zou zijn van belaging. Verdachte heeft door [benadeelde partij 2] veelvuldig te bellen en haar te benaderen via diverse nepaccounts op Facebook (Messenger), en daarbij negatieve berichten te sturen, wederrechtelijk stelselmatige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] . Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de in zaak A onder 2 ten laste gelegde belaging. 4.3.3. Ten aanzien van zaak B: belaging van [persoon 2] Op 28 januari 2024 en 26 maart 2024 heeft [persoon 2] aangifte gedaan van belaging door verdachte. De rechtbank komt tot een gedeeltelijke bewezenverklaring en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank acht de volgende ten laste gelegde gedragingen niet bewezen: - Verdachte zou [persoon 2] veelvuldig hebben gebeld. [persoon 2] heeft verklaard dat zij vaak is gebeld door verdachte. Hij zou haar hebben benaderd met de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Zij heeft screenshots overgelegd van WhatsApp-berichten afkomstig van het nummer eindigend op * [telefoonnummer] . Hoewel dit nummer kan worden gekoppeld aan verdachte, geldt dat het gaat om berichten en niet om (gemiste) oproepen zoals ten laste is gelegd en dat deze berichten voorts gericht lijken te zijn aan de dochter van [persoon 2] . Wat betreft de overgelegde screenshots van gemiste oproepen geldt dat deze afkomstig zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat dit telefoonnummer aan verdachte toebehoort. Om die reden dient hij te worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde gedraging. - Verdachte zou [persoon 2] via Facebook een vriendschapsverzoek hebben gestuurd. Uit de aangifte volgt dat verdachte via het nepaccount [naam 1] op Facebook een vriendschapsverzoek zou hebben gestuurd aan de ex-partner van [persoon 2] en dus niet aan [persoon 2] zelf. Om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gedraging. De rechtbank acht de volgende gedragingen wel bewezen en is van oordeel dat verdachte daarmee wederrechtelijk, stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 2] . - Meerdere brieven achterlaten in de brievenbus met het verzoek contact op te nemen. [persoon 2] heeft op 26 maart 2024 verklaard dat er de afgelopen weken twee briefjes in de brievenbus van haar oude woning waren achtergelaten. Verdachte heeft dit bekend. Op één van de briefjes stond met de hand geschreven dat [persoon 2] een pakket bij de buren op kon halen van PostNL (met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] ). Op het andere briefje stond dat [persoon 2] een pakket had gemist van DHL en een nieuwe afspraak kon maken op het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat [persoon 2] was verhuisd en hij haar wilde bereiken. - [persoon 2] opzoeken bij de school van haar dochter [persoon 2] heeft op 26 maart 2024 verklaard dat verdachte haar opzoekt bij de school van haar dochter, omdat zij is verhuisd en hij naar nieuwe adres niet weet. Op 19 maart 2024 was zij haar dochter aan het ophalen bij school en liep zij samen met een vriendin (hierna: getuige [persoon 4] ). De dochter van [persoon 2] riep haar, omdat zij verdachte voorbij zag fietsen in de richting van hun oude huis. Verdachte draaide zich om en kwam naar hen toe. [persoon 2] heeft verklaard dat hij riep dat hij zijn spullen terug wilde en dat hij nog niet klaar was met haar. Ook heeft hij hen gefilmd en hiervan heeft verdachte foto’s op het nepaccount [naam 1] op Facebook geplaatst. De verklaring van [persoon 2] wordt bevestigd door de verklaring van getuige [persoon 4] . Verdachte heeft erkend dat hij bij de school is geweest en [persoon 2] en haar vriendin en de kinderen heeft gefilmd en dit op Facebook heeft geplaatst, maar volgens hem ging het om een toevallige ontmoeting. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, omdat onder meer uit het achterlaten van de brieven in de brievenbus van [persoon 2] en de verklaring van verdachte hierover blijkt dat hij in die periode niet wist waar [persoon 2] woonde en hij in contact met haar wilde komen. Dit past bij de verklaring van [persoon 2] . - Meerdere malen de woning van [persoon 2] bezoeken. [persoon 2] heeft op 28 januari 2024 verklaard dat verdachte meerdere keren bij haar woning heeft aangebeld. Dit gebeurde soms iedere dag en ook één keer twee keer op een dag. Uit het dossier blijkt dat de zus van [persoon 2] op 2 maart 2024 een foto naar de politie heeft gestuurd van verdachte bij de woning van [persoon 2] . Deze foto zit gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen over het bezoek van verdachte bij de school van de dochter van [persoon 2] op 19 maart 2024, waarvan ook een foto als bijlage is toegevoegd. Verdachte heeft op zitting verklaard dat de linker foto in de buurt van de school was. Van de andere foto wist hij niet waar het van was. Gelet op de verklaring van verdachte ten aanzien van de locatie van de linker foto in combinatie met de overige bevindingen ten aanzien van het door verdachte achterlaten van briefjes in de brievenbus van [persoon 2] , gaat de rechtbank ervan uit dat de rechter foto bij het proces-verbaal van bevindingen een foto betreft van verdachte bij de woning van [persoon 2] en dat hij aldus meerdere keren haar woning heeft bezocht. - Meerdere negatieve berichten over [persoon 2] op social media plaatsen. Op grond van het dossier is gebleken dat het nepaccount van [naam 1] op Facebook aan een telefoonnummer van verdachte kan worden gekoppeld. Op de zitting heeft hij ook bekend dat hij dit account heeft aangemaakt. Ook heeft hij bekend dat hij hiermee (negatieve) berichten over [persoon 2] op social media heeft geplaatst, waaronder de foto’s van het bezoek bij de school van de dochter van [persoon 2] en een reactie hierop met zijn eigen account inhoudende: ‘Ik ken haar. Ze stinkt, grote junkie. Ze escort ook. Ze gebruikt cocaine. Blacka Jonko. Als ik weet waar ze woont ga ik je melden schat. Amsterdam is te klein’. 4.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Zaak A 1. in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 januari 2025 te Amsterdam (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] , met het oogmerk voornoemde [benadeelde partij 1] en [persoon 1] , te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, - voornoemde [benadeelde partij 1] tekstberichten en afbeeldingen gestuurd per Whatsapp en - voornoemde [benadeelde partij 1] en [persoon 1] gebeld en - voornoemde [benadeelde partij 1] via (nep)account(s)/sociale media en/of (een) Facebook (messenger) account(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.