RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/299704-25 Datum uitspraak: 4 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2025 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek van 8 november 2025, afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (referentie 2025/193). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 19 december 2025 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverd onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). ” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW 6.1 Standpunt van de raadsman De raadsman verzoekt primair de overlevering op grond van artikel 13 OLW te weigeren, omdat de feiten in ieder geval gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden. De strafvervolging van de twee medeverdachten is door Nederland overgenomen. Hierdoor bevindt het strafdossier zich ook in Nederland. Verder heeft de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit, is hij woonachtig in Nederland en bestaat er geen enkele binding tussen de opgeëiste persoon en België. Het is in het belang van een goede rechtsbedeling om de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen. Het verschil tussen de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten ten aanzien van het detentieregime is bovendien niet zonder meer te rechtvaardigen. Subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of zij nog steeds de overlevering van de opgeëiste persoon wensen of dat het wenselijk wordt geacht dat de Nederlandse officier van justitie de strafvervolging overneemt. 6.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW niet van toepassing is. Zowel het EAB als het A-formulier vermelden als pleegplaats Borgerhout in België. Indien de rechtbank hier anders over oordeelt, verzoekt de officier van justitie subsidiair af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW. Het onderzoek is aangevangen in België en de slachtoffers wonen in België. Het feit dat de opgeëiste persoon in Nederland woont en in Nederland is aangehouden, is niet relevant. Verder heeft het Belgische openbaar ministerie er bewust voor gekozen om alleen de strafvervolging van de medeverdachten over te dragen aan Nederland, omdat, in tegenstelling tot de opgeëiste persoon, de twee medeverdachten minderjarig zijn. Het Nederlandse openbaar ministerie is verder niet voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen. De weigeringsgrond van artikel 13 staat niet aan overlevering in de weg. 6.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De opgeëiste persoon en de medeverdachten hadden volgens de feitomschrijving bij hun aanhouding op Nederlands grondgebied, welke aanhouding volgens de verdenking plaatsvond tijdens hun vlucht direct na de in België gepleegde feiten, een vuurwapen, patronen, bivakmutsen en meerdere gsm-toestellen voorhanden. Uit de in het EAB genoemde strafbepalingen uit de Belgische Wapenwet leidt de rechtbank af dat de verdenking mede ziet op het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank stelt daarom vast dat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW toe te passen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat het strafrechtelijke onderzoek is aangevangen in België, het bewijs in de zaak van de opgeëiste persoon en de slachtoffers zich in België bevinden en het Nederlandse openbaar ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen. Weliswaar worden de medeverdachten in Nederland berecht, maar dat laat zich verklaren door het feit dat de medeverdachten, anders dan de opgeëiste persoon, minderjarig zijn. Hierdoor ligt een gelijktijdige behandeling ook niet voor de hand, omdat de medeverdachten naar alle waarschijnlijkheid door de kinderrechter zullen worden berecht. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank acht zich voldoende ingelicht en ziet geen reden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 7Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden 7.1 Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Bij brief van 2 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.