← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:1360

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11776462 CV 25-9165 Vonnis van 13 februari 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E. Horbeek, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.F. Ziabutt. 1Korte samenvatting 1.1. [eiser] en [gedaagde] hebben samen een vleesgroothandel gerund. Vanwege een conflict hebben zij besloten de samenwerking te beëindigen en de afspraken daarover op te nemen in een zogenaamde ‘verzoeningsovereenkomst’. In deze procedure speelt de vraag of partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] niet alleen de externe schulden van [naam bedrijf] B.V. overneemt, maar ook die van de gelijknamige eenmanszaak, die op naam stond van [eiser] . [eiser] stelt van wel en vordert op deze grond vergoeding van de kosten van een belastingaanslag van € 24.900,- die hij voor de eenmanszaak stelt te hebben ontvangen. [gedaagde] betwist dit. 1.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] onvoldoende gesteld dat (

  1. i)[gedaagde] betrokken was bij de eenmanszaak, (
  2. ii)partijen bedoeld hebben overeen te komen dat [gedaagde] (ook) de externe schulden van de eenmanszaak zou overnemen en (iii) de belastingaanslag die [eiser] heeft ontvangen, op de eenmanszaak betrekking heeft. De kantonrechter oordeelt hiernaast dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden. Deze omstandigheden maken dat [eiser] niet zal worden toegelaten tot het leveren van nader bewijs. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom af en veroordeelt [eiser] in de volledige proceskosten. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 juni 2025; - de conclusie van antwoord; - het tussenvonnis van 3 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; en - de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [eiser] en [gedaagde] hebben op 20 februari 2018 samen een vleesgroothandel opgericht, genaamd [naam bedrijf] B.V. (kvk-nummer: [kvk-nummer 1] ). [naam bedrijf] B.V. is gevestigd aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] . 3.2. Voordat [naam bedrijf] B.V. werd opgericht, had [eiser] al een vleesgroothandel op zijn naam staan. Deze eenmanszaak droeg de naam [naam eenmanszaak] (kvk-nummer: [kvk-nummer 2] , hierna: de eenmanszaak) en was, net als [naam bedrijf] B.V., gevestigd aan de [adres] in [plaats] . De eenmanszaak is op 31 december 2017 opgehouden te bestaan. 3.3. In 2019 is tussen [gedaagde] en [eiser] een conflict ontstaan. Zij hebben zich hierop tot moskee [naam moskee] gewend voor bemiddeling. Uiteindelijk is besloten de samenwerking tussen partijen te beëindigen. De imam van moskee [naam moskee] , de heer [naam imam] , heeft vervolgens in het Arabisch een zogenaamde ‘verzoeningsovereenkomst’ opgesteld, waarin de afspraken over het beëindigen van de samenwerking zijn vastgelegd. 3.4. De verzoeningsovereenkomst is op 21 maart 2019 door [gedaagde] , [eiser] , de heer [naam imam] (imam) en twee getuigen ondertekend. [gedaagde] en [eiser] zijn het erover eens dat in de verzoeningsovereenkomst het volgende is opgenomen:
  3. i)dat het bedrijf [naam bedrijf] geheel wordt toegekend aan [gedaagde] , inclusief winst, verlies en externe schulden;
  4. ii)dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag betaalt van € 34.350; en iii) dat [eiser] , na ontvangst van dit bedrag, zijn aandelen in [naam bedrijf] B.V. (30%) overdraagt aan [gedaagde] . 3.5. [gedaagde] heeft het bedrag van € 34.350 in termijnen aan [eiser] betaald. De aandelen van [eiser] (30%) zijn hierna bij akte van 18 maart 2021 aan [gedaagde] overgedragen. [gedaagde] heeft sinds dat moment 100% van de aandelen van [naam bedrijf] B.V. in bezit. 3.6. Op enig moment heeft [eiser] een belastingaanslag ontvangen voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB-belasting) voor de jaren 2016 en 2017, ter hoogte van € 24.900,- (inclusief kosten). [eiser] heeft de Belastingdienst gevraagd om uitstel van betaling van deze belastingschuld. Dit verzoek heeft de Belastingdienst op 23 december 2024 afgewezen. 3.7. Op 11 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld en hem verzocht het bedrag van € 24.900,- binnen 14 dagen aan hem te betalen. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert – samengevat – [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de verzoeningsovereenkomst door betaling van € 24.900,-, vermeerderd met wettelijke rente, en vergoeding van de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] . [eiser] legt daar, samengevat, het volgende aan ten grondslag:
  5. i)partijen hebben bedoeld overeen te komen dat [gedaagde] de vleesgroothandel [naam bedrijf] zelfstandig zou voortzetten en daarbij alle externe schulden van de onderneming zou overnemen, inclusief die van de eenmanszaak; en
  6. ii)de belastingschuld heeft betrekking op de eenmanszaak en kwalificeert als een ‘externe schuld’ zoals bedoeld in de verzoeningsovereenkomst. [gedaagde] is dus verplicht deze belastingschuld te betalen. 4.2. [gedaagde] betwist dit en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van deze procedure. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. De kern van het geschil ziet op de vraag of de verzoeningsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat daarin de afspraak is opgenomen dat [gedaagde] (ook) de externe schulden van de eenmanszaak overneemt, waaronder belastingschulden. Hiernaast is tussen partijen in geschil of de belastingschuld van € 24.900,-. betrekking heeft op de eenmanszaak. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. I. Uitleg van de verzoeningsovereenkomst 5.2. Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het niet alleen om de letterlijke tekst van de afspraken, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-norm, zie ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en de verdere uitwerking in de jurisprudentie, ECLI:NL:PHR:2021:680 en ECLI:NL:PHR:2021:1256). De bedoeling van partijen is bij de uitleg van een overeenkomst dus relevant. 5.3. In zijn dagvaarding heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de bedoeling van partijen volgt uit de letterlijke tekst van de overeenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling is hij hier (gedeeltelijk) op teruggekomen. Daarbij heeft hij toegelicht dat ook als dit niet volgt uit de letterlijke tekst van de overeenkomst, partijen nog steeds de bedoeling hadden overeen te komen dat [gedaagde] de externe schulden van de eenmanszaak zou overnemen. Deze afspraak was volgens [eiser] ook logisch: de eenmanszaak stond weliswaar op zijn naam, maar was op verzoek van [gedaagde] opgericht, en [gedaagde] was in de praktijk degene die de bedrijfsvoering voerde, aldus [eiser] . Dit is volgens [eiser] gedaan omdat [gedaagde] problemen had met de Belastingdienst. Hiernaast heeft [eiser] aangegeven dat [gedaagde] ook altijd de boekhouding van de eenmanszaak deed en ervoor zorgde dat belastingaanslagen werden betaald. [gedaagde] heeft zowel zijn betrokkenheid bij de eenmanszaak als de door [eiser] gestelde partijbedoeling betwist. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. [eiser] heeft een onjuiste vertaling overgelegd 5.4. [eiser] heeft bij dagvaarding een Nederlandse vertaling van de verzoeningsovereenkomst ingediend. Voor zover relevant, is in deze vertaling het volgende opgenomen (onderstreping toegevoegd): “Om een einde te maken aan de geschillen die bestaan tussen de twee partijen (de heer [eiser] en de heer [gedaagde] ) binnen het bedrijf [naam eenmanszaak] (verkoop van vleeswaren) met kvknr. [kvk-nummer 2] opgericht in het jaar 2014, […] is overeengekomen tot het volgende besluiten: 1. dat de onderneming geheel wordt toegekend aan, de eiser, de heer [gedaagde] inclusief alle daaraan gepaarde winsten, verliezen en externe schulden. […]” 5.5. [gedaagde] betwist de juistheid van deze vertaling. Volgens hem komt het onderstreepte deel van het hiervoor opgenomen citaat niet voor in de Arabische tekst van de verzoeningsovereenkomst. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] een vertaling overgelegd die is opgesteld door een beëdigd vertaler. Voor zover relevant, staat in deze vertaling het volgende: “Om het geschil, dat is ontstaan tussen de partners van [naam vleesbedrijf] op te lossen en na talloze vergaderingen, beraadslagingen en communicatie met partijen in het geschil, in overleg met zakenrelaties binnen het bedrijf en onderzoek van de feiten heb ik op grond van de overgelegde bovenstaande informatie het volgende overwogen:  Het bedrijf wordt in zijn geheel, winst, verlies en externe schulden toegekend aan de eiser [gedaagde] […].” 5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat het onderstreepte deel van de vertaling die onder 5.4 is opgenomen niet in de originele tekst van de verzoeningsovereenkomst staat. Daarbij heeft hij toegelicht dat de door hem overgelegde vertaling door zijn buurman uit de moskee is opgesteld en dat de verwijzingen naar het kvk-nummer en het oprichtingsjaar in de vertaling zijn opgenomen, omdat deze buurman gezegd had dat dat belangrijk zou zijn voor de rechtbank. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [eiser] zo, dat deze verwijzingen zijn opgenomen om de intentie die partijen volgens hem hadden – dat wil zeggen: dat [gedaagde] (ook) de schulden van de eenmanszaak zou overnemen – duidelijk te maken. [eiser] heeft de waarheidsplicht geschonden 5.7. Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de feiten die voor de beslissing van de rechter van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. Partijen mogen de taak van de rechter niet bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken door relevante feiten bewust achter te houden of verkeerd weer te geven. Als de waarheidsplicht niet wordt nageleefd, is de rechter op grond van artikel 21 Rv bevoegd daaraan de gevolgen te verbinden die hij passend vindt, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. 5.8. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] deze waarheidsplicht heeft geschonden door in de Nederlandse vertaling van de verzoeningsovereenkomst verwijzingen op te nemen naar de kvk-nummer en het oprichtingsjaar van de eenmanszaak, terwijl hij wist dat deze niet voorkomen in de originele Arabische tekst (zie 5.4-5.6 hiervoor). [eiser] heeft hiermee gesuggereerd dat uit de tekst van de verzoeningsovereenkomst expliciet volgt dat deze (ook) betrekking heeft op de eenmanszaak. Zonder deze toevoegingen staat in de verzoeningsovereenkomst echter alleen een verwijzing naar het ‘ [naam vleesbedrijf] ’. Wat hiermee bedoeld wordt ( [naam bedrijf] B.V. en/of de eenmanszaak), staat aan de kern van het geschil tussen [eiser] en [gedaagde] . Door genoemde verwijzingen op te nemen in de dagvaarding en de daarbij een onjuiste vertaling over te leggen, heeft [eiser] de voor de beslissing van belang zijnde feiten op essentiële punten verdraaid. Als [gedaagde] de kantonrechter hier niet op had gewezen, zou de beslissing (in ieder geval gedeeltelijk) op onjuiste feiten zijn gebaseerd. 5.9. Gelet op het voorgaande, spreekt het voor zich dat de kantonrechter hierna bij de uitleg van de verzoeningsovereenkomst de door [gedaagde] overgelegde beëdigde vertaling tot uitgangspunt neemt. Daarnaast heeft dit tot gevolg dat [eiser] in de volledige proceskosten wordt veroordeeld (zie 5.20 e.v. hierna). [eiser] heeft onvoldoende gesteld 5.10. In de beëdigd vertaling van [gedaagde] staat in de aanhef een algemene verwijzing naar ‘ [naam vleesbedrijf] ’. Gelet op het feit dat de eenmanszaak en de B.V. (nagenoeg) dezelfde naam droegen, zou daarin ook de eenmanszaak kunnen worden gelezen. Naar het oordeel van de kantonrechter, heeft [eiser] echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat partijen deze bedoeling hebben gehad. Zij legt daar het volgende aan ten grondslag. 5.11. Vast staat dat geen sprake is geweest van een formele omzetting van de eenmanszaak in [naam bedrijf] B.V. Dat wil zeggen dat de activa en passiva van de eenmanszaak niet in [naam bedrijf] B.V. zijn ingebracht. Dat betekent dat als partijen de bedoeling hebben gehad overeen te komen dat [gedaagde] (naast eventuele activa) ook de schulden van de eenmanszaak zou overnemen, hier aparte afspraken voor nodig waren. 5.12. Anders dan een verklaring van hemzelf, waarin hij toelicht hoe de samenwerking met [gedaagde] is verlopen, heeft [eiser] niets overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] bij de eenmanszaak betrokken was (correspondentie, foto’s, etc.). De kantonrechter kan deze betrokkenheid, die door [gedaagde] wordt betwist, hierdoor niet vaststellen. Het gevolg hiervan is dat zij niet van de juistheid van de stelling dat het gelet op deze betrokkenheid ‘logisch’ was dat de verzoeningsovereenkomst ook afspraken bevatte over de eenmanszaak, kan uitgaan. 5.13. Hier staat tegenover dat een taalkundige uitleg van de verzoeningsovereenkomst erop wijst dat partijen alleen afspraken hebben gemaakt over [naam bedrijf] B.V. Hoewel ‘ [naam vleesbedrijf] ’ ruimte laat voor interpretatie (zie 5.10), wijst niets in de rest van de tekst van de overeenkomst erop dat partijen de bedoeling hadden (ook) afspraken te maken over de eenmanszaak. De eenmanszaak wordt in de gehele overeenkomst niet genoemd, terwijl wel specifiek benoemd wordt dat [gedaagde] de aandelen van [eiser] in [naam bedrijf] B.V. zou overnemen. 5.14. Alles afwegend heeft [eiser] , gelet op de betwisting door [gedaagde] , onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor zijn standpunt dat partijen bedoeld hebben overeen te komen dat [gedaagde] de schulden van de eenmanszaak overneemt, waaronder de belastingschuld die aan de vordering ten grondslag ligt. Dit betekent dat [eiser] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht, waardoor hij niet wordt toegelaten tot het leveren van nader (getuigen)bewijs. De uitleg die [eiser] aan de verzoeningsovereenkomst geeft, kan daarom niet worden gevolgd. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat ook als [eiser] wel voldoende had gesteld, dit niet had geleid tot een andere uitkomst. Zoals volgt uit de overwegingen hiervoor, heeft [eiser] namelijk de waarheidsplicht geschonden. Ook om deze reden zou de kantonrechter hem niet hebben toegelaten tot nadere bewijslevering. 5.15. De vraag of de belastingschuld van € 24.900,-. betrekking heeft op de eenmanszaak, behoeft hierdoor geen bespreking meer. Ook daarvoor geldt echter dat [eiser] zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het, gelet op de betwisting van [gedaagde] , niet is komen vast te staan dat dit een schuld van de eenmanszaak betreft. Tussenconclusie 5.16. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. II. Proceskosten 5.17. [gedaagde] heeft gevorderd dat [eiser] volledig in de proceskosten van [gedaagde] wordt veroordeeld. Het gaat daarbij om een bedrag van € 3.775,20 aan advocaatkosten en € 180,50 aan kosten voor de beëdigd vertaling. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. 5.18. Volgens vaste rechtspraak, is een vordering tot veroordeling van de wederpartij in de volledige proceskosten toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is onder andere sprake als de gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). 5.19. Zoals de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, heeft [eiser] met het overleggen van een onjuiste vertaling de waarheidsplicht geschonden. Dit heeft hij tijdens de mondelinge behandeling pas erkend waardoor hij zowel [gedaagde] , als de kantonrechter onnodig tijd heeft laten besteden aan een stelling waarvan hij wist dat deze onjuist is. Gelet op de ernst en omvang van deze schending, die bovendien betrekking heeft op gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil, ziet de kantonrechter aanleiding om een volledige proceskostenveroordeling toe te kennen. Bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting van de hoogte van de door [gedaagde] gevorderde proceskosten, wijst de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 3.775,20 + € 180,50 = € 3.955,70 toe. De totale proceskosten worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - salaris advocaat € 3.775,20 - beëdigd vertaling € 180,50 - nakosten € 72,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.173,84 6De beslissing De kantonrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.173,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.