RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12073710 \ CV EXPL 26-1112 Vonnis van 17 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOL.COM B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 januari 2026, met producties, - het tegen gedaagde partij verleende verstek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Eisende partij is een handelaar en gedaagde partij een consument, zodat ambtshalve moet worden getoetst aan het consumentenrecht. 2.
- Eisende partij stelt te hebben voldaan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij overlegt ter onderbouwing van die stelling schermafdrukken van een voorbeeldbestelling uit 2022, waarbij een aankoop bij een externe verkoper wordt uiteengezet. Eisende partij stelt dat het bestelproces van een aankoop bij een externe verkoper gelijk is aan het bestelproces van een aankoop bij eisende partij zelf. In beginsel volstaan uitsluitend schermafdrukken van het jaar waarin de bestelling door de gedaagde partij is gedaan. Eisende partij stelt dat de wijze van informatieverstrekking in het voorbeeld-bestelproces van toepassing is op alle bestellingen, waaronder de onderhavige bestelling door gedaagde partij. Om die reden is tot op heden steeds genoegen genomen met de overgelegde schermafdrukken. Inmiddels wordt eisende partij echter geacht bekend te zijn met het beleid over schermafdrukken, dat sinds 2019 geldt en ongewijzigd is gebleven. Daarom dienen stellingen over de informatieplichten bij dagvaardingen betekend vanaf 1 april 2026 te worden onderbouwd met schermafdrukken van het jaar waarin de bestellingen door de consument zijn gedaan, bij gebreke waarvan de vordering zal worden afgewezen vanwege het niet volledig voldoen aan de stelplicht (artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 2.
- De kantonrechter stelt vast dat eisende partij heeft voldaan aan alle op haar rustende essentiële informatieplichten. 2.
- In de algemene voorwaarden die zijn overgelegd voor aankopen bij een externe verkoper, waarvan hier sprake is, staan bedingen over rente en buitengerechtelijke kosten. Onder verwijzing naar de overwegingen en beslissing over deze bedingen in ECLI:NL:RBAMS:2023:6663, worden deze bedingen als oneerlijk aangemerkt, zodat eisende partij om die reden geen rechtsgeldig beroep kan doen op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de algemene voorwaarden zouden staan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Gevolg hiervan is dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente worden afgewezen. 2.
- Nu de vordering overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wordt deze toegewezen als in de beslissing vermeld, behoudens voor zover hierna anders is overwogen en/of een gedeelte van de vordering niet is toegewezen. 2.
- Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 127,08 - griffierecht € 139,00 - salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 330,58 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 174,91 aan hoofdsom, 3.
- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 330,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 17 februari
- 991