RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/302962-25 Datum uitspraak: 27 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 17 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: I. een vonnis van the District Court in Toruń van 16 mei 2022 (met referentie: II K 554/22); II. een vonnis van the District Court in Toruń van 23 september 2022 (met referentie: VIII K 378/22). Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis met referentie II K 554/22 heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van I. één jaar, waarvan volgens het EAB nog elf maanden en twintig dagen resteren; II. zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het vonnis met referentie VIII K 378/22 Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat uit de informatie in het EAB niet kan worden afgeleid wanneer het verhoor heeft plaatsgevonden waarin de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen voor de procedure met referentie VIII K 378/22. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon slechts in de procedure met referentie II K 554/22, die jaren eerder heeft plaatsgevonden, een adresinstructie heeft ontvangen. Dit geldt temeer nu uit het EAB blijkt dat er in de procedure met referentie VIII K 378/22 geen voorarrest is geweest. De raadsman doet subsidiair een verzoek tot aanhouding om aanvullende informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Een verhoor kan ook plaatsvinden zonder dat sprake is van voorarrest. Dat er geen voorarrest is geweest in de procedure met referentie VIII K 378/22 vormt dan ook geen aanwijzing dat de adresinstructie slechts aan de opgeëiste persoon is verstrekt in de procedure met referentie II K 554/22. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon heeft, zo blijkt uit onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.