RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-323122-25 Datum uitspraak: 17 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2025 door de rechter belast met het vooronderzoek van de Rechtbank Reggio Calabria (Giudice Indagini Preliminari del Tribunale di Reggio Calabria), Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 1] 1991 in [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.N. Weski, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Georgische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. De verschenen persoon is niet de opgeëiste persoon waarvoor de overlevering wordt verzocht. Het EAB vermeldt immers als geboortedatum [geboortedag 2] 1991, terwijl de verschenen persoon is geboren op [geboortedag 1] 1991. De rechtbank kan dit niet als een kennelijke verschrijving aannemen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de Italiaanse autoriteiten om opheldering te vragen ten aanzien van de identificatie van de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is het niet aannemelijk dat sprake is van een persoonsverwisseling. Hiervoor vindt hij van belang dat de opgeëiste persoon reeds in een eerder stadium had kunnen aangeven dat hij niet de betreffende persoon is waarvoor de overlevering wordt verzocht, in plaats van dit pas ter zitting naar voren te brengen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Oordeel van de rechtbank Nu de identiteitsgegevens van de in het kader van de overleveringsprocedure voor de rechtbank verschenen persoon niet geheel overeenkomen met de identiteitsgegevens die in het EAB staan vermeld is het aan de rechtbank om vast te stellen of de verschenen persoon inderdaad de door de uitvaardigende justitiële autoriteit gezochte opgeëiste persoon betreft. De rechtbank overweegt dat de voor- en achternaam, de geboortedag, het geboortejaar, de geboorteplaats- en land en de woonplaats in [land] van de opgeëiste persoon overeenkomen met die van de verschenen persoon. Dat maakt dat het dermate onwaarschijnlijk is dat het EAB ziet op een andere persoon dan de verschenen persoon, dat de rechtbank er daarom van uitgaat dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in de geboortedatum zoals genoemd in het EAB. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen reden om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een bevel tot toepassing van de toezichtmaatregel van voorlopige hechtenis in de gevangenis uitgevaardigd door the judge for preliminary investigations at the Court of Reggio Calabria met kenmerk N. 426123 R.G.N.R. D.D.A., NR. 524124 R.G.I.P. D.D.A., NR. 612024 R. O.C.C. D.D.A. De rechtbank constateert dat, alhoewel niet wordt vermeld op welke datum dit bevel is uitgevaardigd, hiermee voldoende herleidbaar is welk nationaal aanhoudingsbevel aan het EAB ten grondslag ligt. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat uit de feitenomschrijving in het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het EAB bevat weliswaar een omvangrijke uiteenzetting van feiten, maar de rol van de opgeëiste persoon zou slechts een ondergeschikte rol zijn. Zo wordt hem verweten dat hij zijn rekening ter beschikking heeft gesteld en dat met zijn rekening betalingen zijn gedaan aan leden van de vermeende organisatie en smokkelschippers. Uit het EAB zou ten minste moeten blijken op basis waarvan de opgeëiste persoon redelijkerwijs wist, of kon vermoeden, dat zijn rekening werd misbruikt voor criminele doeleinden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de Italiaanse autoriteiten op dit punt aanvullende vragen te stellen. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is het EAB genoegzaam. De feitenomschrijving in het EAB is voldoende duidelijk, waardoor de opgeëiste persoon weet voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. Dat de rol van opgeëiste persoon volgens de raadsman slechts ondergeschikt is, doet daar niet aan af. De verdenking ziet immers ook op deelname aan een criminele organisatie. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang. Uit de feitenomschrijving in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.