RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-326258-25 Datum uitspraak: 17 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 2 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 april 2025 (met rectificaties op 29 april 2025 en 6 mei 2025) door the District Court in Bydgoszcz, III penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft op 13 februari 2026 de gevangenhouding opgeheven. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the District Court in Inowrocław, van 12 september 2023 met kenmerk II K 630/23 en een arrest van 25 januari 2024 met kenmerk IV Ka 1204/23 van the District Court in Bydgoszcz dat het verzamelvonnis in hoger beroep heeft bekrachtigd. Aan het verzamelvonnis liggen de volgende onderliggende vonnissen ten grondslag: vonnis van the District Court in Inowrocław van 16 december 2021, kenmerk II K 1121/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 19 januari 2022, kenmerk II K 943/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 10 februari 2022, kenmerk II K 1378/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 10 februari 2022, kenmerk II K 1374/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 10 februari 2022, kenmerk II K 1513/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 10 februari 2022, kenmerk II K 1396/21; vonnis van the District Court in Inowrocław van 22 maart 2022, kenmerk II K 1347/21. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest met kenmerk IV Ka 1204/23. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Er is sprake van een verzamelvonnis waartegen hoger beroep is gesteld. Volgens onder meer het Zdzsiaszek-arrest dient de procedure in hoger beroep te worden onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. Volgens de raadsman is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing, omdat onvoldoende is onderbouwd hoe de oproeping voor de procedure in hoger beroep is verlopen. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet zelf een advocaat heeft gemachtigd om namens hem op zitting de verdediging te voeren, maar dat deze is aangesteld door de staat. Deze advocaat heeft vervolgens zelf hoger beroep ingesteld. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Meer subsidiair verzoekt de raadsman om een verzetsgarantie op te vragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de zaak aan te houden dan wel tussenuitspraak te wijzen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het is onduidelijk hoe de oproeping voor de procedure in hoger beroep in 2024 heeft plaatsgevonden. Er is meer informatie nodig om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Oordeel van de rechtbank Het verzamelvonnis van the District Court in Inowrocław (II K 630/23) De rechtbank stelt vast dat in onderdeel d), onder punt vier, van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte is gesteld van de datum voor het proces in eerste aanleg, maar dat de rechtbank in Inowrocław bij beschikking een advocaat heeft toegewezen om de opgeëiste persoon tijdens deze zitting te verdedigen (ex officio). De opgeëiste persoon is ook daadwerkelijk door deze advocaat verdedigd tijdens de zitting op 12 september 2023. Daarnaast wordt vermeld dat de advocaat hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van the District Court in Inowrocław met kenmerk II K 630/23. Bij arrest van 25 januari 2024 met kenmerk IV Ka 1204/23 heeft the District Court in Bydgoszcz het verzamelvonnis bevestigd. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank het arrest van the District Court in Bydgoszcz van 25 januari 2024 met kenmerk IV Ka 1204/23 zal toetsen aan artikel 12 OLW. Het arrest van the District Court in Bydgoszcz (IV Ka 1204/23) Uit onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.