RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-316656-25 Datum uitspraak: 18 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 4 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2025 door het Openbaar Ministerie te Wenen – met goedkeuring van het Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M. Helmers, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een door de rechtbank goedgekeurd bevel tot aanhouding van het Openbaar Ministerie te Wenen van 20 oktober 2025 met kenmerk ad 709 St 22/25a. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De het Landesgericht für Strafsachen Wien heeft op 20 december 2025 de volgende garantie gegeven: "In case the wanted person, [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 2006, Dutch national, after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Austria, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ, § 29 Abs. 3 EU-JZG)." Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW: Oostenrijkse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW in de weg staat aan de overlevering vanwege de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon. Uit de overgelegde brieven uit het medisch dossier van de opgeëiste persoon blijkt dat hij lijdt aan een spierziekte met een progressief beeld, dat hij matig belastbaar is, slechts 10 minuten kan lopen, een rolstoel nodig heeft en veelvuldig artsen bezoekt. Het is niet duidelijk of in Oostenrijk de gepaste zorg kan worden geboden aan de opgeëiste persoon nu Nederlandse detentie-instellingen daar al niet toe in staat zijn. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon vormt geen grond om geen gevolg te geven aan het EAB. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De rechtbank overweegt dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden in Oostenrijk het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat in detentie niet de nodige medische zorg wordt verleend. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar voor gedetineerden in Oostenrijk blijkt. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. De rechtbank verwerpt het verweer. 7Schorsing na uitspraak De rechtbank ziet aanleiding om in de specifieke situatie van de opgeëiste persoon tot (verdere) schorsing van het bevel gevangenhouding over te gaan. Dat er voldoende binding met Nederland bestaat is in een eerder stadium van de zaak reeds aangenomen. De relevante overwegingen voor een verdere schorsing zijn de volgende: - de opgeëiste persoon (19 jaar oud) woont met zijn moeder en zusje in de (aangepaste) huurwoning die op naam van zijn moeder staat; de opgeëiste persoon is in zijn Nederlandse strafzaak door de rechter-commissaris van de rechtbank Midden-Nederland geschorst op 5 juni 2025 met een veertiental voorwaarden. De opgeëiste persoon heeft zich gehouden aan die voorwaarden; de inhoudelijke behandeling van zijn (Nederlandse) strafzaak zal plaatsvinden op 3 maart 2026; de officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat gezien het voorgaande een artikel 36 OLW vordering zal worden ingediend nu de uitspraak in de onderhavige zaak op 18 februari 2026 zal worden gedaan en de feitelijke overlevering niet binnen 10 dagen na de uitspraak zal kunnen plaatsvinden; de opgeëiste persoon is gelet op de door de raadsvrouw overgelegde medische stukken – onder meer – lijdend aan een progressieve spierziekte waarvoor hij onder behandeling staat; de mobiliteit van de opgeëiste persoon is beperkt en hij is voor langere afstanden aangewezen op een rolstoel; de opgeëiste persoon die een Wajong uitkering ontvangt, wordt (op grond van de schoringsvoorwaarden) bijgestaan door de reclassering, is aangemeld bij de GGZ en wordt voorts (op verzoek van de reclassering) bijgestaan door een zogenoemde IPTA coach van de gemeente [plaats] ; de opgeëiste persoon heeft zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden in het kader van de onderhavige OLW-procedure. In het licht van het voorgaande is het vluchtgevaar niet zodanig dat vrijheidsbeneming noodzakelijk is in afwachting van de feitelijke overlevering en is vrijheidsbeneming in deze zaak dus niet een toegelaten beperking op artikel 6 Handvest. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2025:8536.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.