vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81.026777.24 Datum uitspraak: 20 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1971, wonende op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 17 en 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. J.C. Dekkers, naar voren heeft gebracht. Verdachte was zelf niet aanwezig. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk zonder registratie: in voorraad hebben van 150 kilogram ketamine; (laten) afleveren van 145 kilogram ketamine; en het drijven van een groothandel in ketamine. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis. 3Bevoegdheid van de rechtbank 3.
- Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat de rechtbank niet bevoegd is, omdat de zaak tegen verdachte is aangebracht bij de (gewone) strafkamer van de rechtbank, terwijl alleen economische delicten zijn tenlastegelegd. Anders dan de rechtbank in reactie op het preliminair gevoerde verweer heeft gesteld, kan de rechtbank niet van pet wisselen en de zaak afdoen als economische kamer. 3.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen, nu de rechtbank voornemens is om als economische kamer uitspraak te doen. Omdat de feitelijke zittingscombinatie bestaat uit rechters die zijn aangewezen als economische rechters, zijn er ook geen belangen geschaad. 3.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging alleen een economisch delict bevat en dat daarom alleen de economische kamers van de rechtbank bevoegd zijn over het tenlastegelegde te oordelen. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte gedagvaard is voor de (gewone) strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Gelet hierop staat vast dat op de dagvaarding niet het juiste forum is vermeld. De rechtbank is echter van oordeel dat dit in dit geval niet hoeft te leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is over de zaak tegen verdachte te oordelen. Daarvoor is van belang dat de rechtbank vaststelt dat de zaak is toebedeeld aan team 1 van de teams strafrecht van de rechtbank Amsterdam, het team waarin de economische zaken worden behandeld, en dat de individuele rechters die in deze zaak samen de meervoudige kamer vormen deel uitmaken van dit team en daarmee zijn aangewezen als economische rechter. Deze aanwijzing als economische rechter volgt uit het volgende wettelijke kader: Artikel 38 van de Wet op de economische delicten bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Wet op de rechterlijke organisatie. In artikel 52 van de Wet op de rechtelijke organisatie wordt bepaald dat het bestuur [van de rechtbank] voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten economische kamers vormt en de bezetting van deze kamers bepaalt. In het bestuursreglement van de rechtbank Amsterdam (Staatscourant 2025, 23151) is in artikel 4 opgenomen: “
- Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) een overzicht vast welke categorieën zaken door elk van de afdelingen en teams worden behandeld. Het schema wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en ligt op iedere zittingsplaats van het gerecht ter inzage.
- Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) de bezetting van de afdelingen en teams vast, welke afdelingen en teams enkelvoudige en meervoudige kamers vormen. Degenen die deel uitmaken van een afdeling of een team dat is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in de artikelen 47, 48 en 50 tot en met 53 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige kamers, bedoeld in die artikelen (…)” Volgens het schema dat is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl worden de economische zaken door team 1 behandeld. Hieruit volgt dat materieel gezien wordt voldaan aan de voorwaarde dat economische rechters over de zaak van verdachte oordelen. Verdachte wordt berecht door rechters die voor dit soort zaken door de wetgever zijn aangewezen en er wordt niet in strijd met de bedoeling van de wetgever gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt – tegen de hiervoor weergegeven achtergrond – uit de jurisprudentie dat de omstandigheid dat op de dagvaarding niet het juiste forum is vermeld er niet aan in de weg staat de rechtbank bevoegd te achten. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bevoegd is over de zaak te oordelen en zij zal dat als economische kamer doen. 4Waardering van het bewijs 4.
- Inleiding Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [medeverdachte 1] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij de handel in ketamine. Verdachte zou een van de deelpartijen ketamine hebben ontvangen. 4.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. 4.
- Standpunt van de verdediging De verdediging vindt niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt van contact met verdachte over of betrokkenheid van verdachte bij een eventuele levering van ketamine. De bevindingen in het dossier passen volgens de raadsvrouw minstens zo goed bij een scenario dat derden de ketamine tijdelijk en buiten medeweten van verdachte om hebben opgeslagen in een aan verdachte gerelateerde opslaglocatie. Subsidiair stelt de verdediging – onder verwijzing naar ECLI:NL:RBNHO:2025:27 – dat de verbodsbepaling van artikel 38 van de Geneesmiddelenwet zich enkel richt tot groothandelaren en fabrikanten en dat verdachte niet als groothandelaar is aan te merken. 4.
- Oordeel van de rechtbank 4.4.
- Identificatie crypto-accounts De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de volgende verdachten in dit onderzoek gebruik hebben gemaakt van in elk geval de volgende cryptotelefoons: Verdachte Sky-account(s) Encrochat-account [medeverdachte 1] [account 1] [medeverdachte 2] [account 2] , [account 3] [account 4] [medeverdachte 3] [account 5] De rechtbank zal na de identificatie omwille van de leesbaarheid niet de betreffende crypto-accounts noemen, maar de achternaam van geïdentificeerde gebruiker. De rechtbank leidt deze identificaties af uit de volgende feiten en omstandigheden. [account 1] Het Sky-account [account 1] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] . Tijdens de doorzoeking op 27 augustus 2020 is in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] in Amsterdam een iPhone met dit IMEI-nummer in beslag genomen. Op 7 juli 2020 stuurt [account 1] de volgende berichten: ‘kan die honderd op rek porsche’, ‘ik heb al 60 aanbetaald’. Op 9 juli 2020 stuurt [account 1] : ‘als je 107 overmaakt is er rust met de auto’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in 2019 een nieuwe Porsche heeft besteld die hij in 2020 moest afnemen voor € 167.000,- en dat hij hier al € 25.000,- en € 35.000,- voor had aanbetaald. Op 10 juli 2020 stuurt [account 1] de volgende berichten: ‘no car, i’m in a appartment’, ‘if you there in front of hotel i walk to you’ en ‘ [adres 3] ’.Op het adres [adres 3] in Malaga is het [hotel] gevestigd. [medeverdachte 1] is mede-eigenaar van appartementen op het adres [adres 4] . Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van Sky-ID [account 1] . [account 4] , [account 3] en [account 2] Tijdens de doorzoeking bij [medeverdachte 3] is een notitie in beslag genomen waarop staat ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ en ‘ [account 3] ’. Uit berichten van [account 3] wordt afgeleid dat de gebruiker gebruikmaakt van de naam [bijnaam van medeverdachte 2] . Hetzelfde geldt voor de gebruiker ‘ [account 4] . [account 3] en [account 4] geven allebei ‘ [e-mailadres] ’ door voor het ontvangen van een e-mailbericht. Op 24 juni 2020 stuurt [account 3] vermoedelijk 67 Sky-id’s door naar [account 2] . Op 24 juni 2020 vraagt [account 6] aan [account 2] ‘nieuwe toch?’ [account 2] schrijft zelf aan [account 7] ‘Deze is new’ en dat andere ‘nog 2 maanden is’ en zijn back up is. [account 8] vraagt die dag aan [account 2] ‘Is dit he nieuwe [bijnaam van medeverdachte 2] ?’. Uit meer berichten is op te maken dat [account 2] de bijnaam [bijnaam van medeverdachte 2] gebruikt. Op [datum] schrijft [account 9] aan [account 2] ‘happy happy Bday’. [medeverdachte 2] is op [geboortedag 2] 1970 geboren. In een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. Dit nummer staat op naam van [vrouw van medeverdachte 2] , de vrouw van [medeverdachte 2] . Op 13 december 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] ‘ [medeverdachte 2] ’ en op 4 juni 2020 stuurt hij twee foto’s naar [medeverdachte 1] met de tekst ‘ben getrimd’. De verbalisant herkent op deze foto’s [medeverdachte 2] van zijn foto uit het politieregistratiesysteem. In de telefoon van [medeverdachte 1] is het nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. [bijnaam van medeverdachte 2] stuurt op 18 oktober 2018 naar [medeverdachte 1] : “Boss. Dit is mijn dubai nr.” Op 23 januari 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] een foto waarop de verbalisanten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van de foto’s uit het politieregistratiesystemen herkennen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de persoon die hij in zijn verhoren [bijnaam van medeverdachte 2] noemde, herkent op een foto uit het politieregistratiesysteem als [medeverdachte 2] . Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het Encrochat-account [account 4] en de Sky-accounts [account 3] en [account 2] een en dezelfde ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ als gebruiker hebben, dat [medeverdachte 2] deze ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ is en dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] in gebruik zijn bij [medeverdachte 2] . [account 5] Het Sky-account [account 5] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] is de telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] aangetroffen. Tijdens de doorzoeking is in een portemonnee ook een notitie aangetroffen met daarop ‘ [naam 1] ’ en ‘ [account 10] ’. In het onderzoek zijn Sky-gesprekken tussen [account 10] en [account 5] aangetroffen. Op 26 augustus 2020 stuurt [medeverdachte 1] naar [account 5] dat hij om 11.00 in Soest is, en later ‘sorry 13:30 kroeg’. [account 5] reageert hierop met ‘oké’. Een observatieteam heeft op 26 augustus 2020 om 17.13 uur [medeverdachte 3] uit de woning zien lopen op het adres waar [medeverdachte 1] stond ingeschreven en waar zijn kroeg ook is gevestigd. Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het Sky-account [account 5] . 4.4.
- Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 27 augustus 2020 is de woning aan het [adres 5] , de woning van de vader van medeverdachte [medeverdachte 3] , doorzocht en daarbij zijn in drie ruimtes dozen met een witte stof aangetroffen en in beslag genomen. De witte stof is gewogen en bemonsterd en vervolgens zijn de monsters geanalyseerd. Uit dit onderzoek bleek dat het ging om in totaal ongeveer 185 kilogram en dat alle deelmonsters hoofdzakelijk bestonden uit ketamine(hydrochloride). Op 27 augustus 2020 is ook de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] aan de [adres 6] doorzocht. Daarbij is een papiertje met notities in beslag genomen: In een Encrochatbericht van 4 april 2020 schrijft ‘ [account 11] ’ aan [medeverdachte 2] dat die klant toch 120 stuks wil kopen en [medeverdachte 2] reageert met ‘Ok is goed. Ik regel alles denk ik.’ Op 5 april 2020 schrijft [medeverdachte 2] aan ‘ [account 12] ’ dat die meteen met [naam 2] moet afspreken en [medeverdachte 2] bevestigd dat het om 120 gaat. Op 6 april 2020 informeert ‘ [account 11] ’ [medeverdachte 2] dat hij het ontvangen heeft van [naam 4] . ‘ [account 12] ’ laat weten dat 120 opgehaald en afgegeven is. In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘6/4’ in de kolom onder ‘ [naam 1] ’
- Op 7 april 2020 vraagt ‘ [account 13] ’ aan [medeverdachte 2] hoe het met de keta is. [medeverdachte 2] laat weten dat dat hij 50 verkocht had aan [naam 3] , maar dat die toch gecanceld heeft. Op 23 april 2020 schrijft [medeverdachte 2] aan ‘ [account 13] ’ dat [naam 3] gisteren toch 40 gekocht. In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘22/4’ in de kolom onder ‘ [naam 9] ’
- Op 5 juni 2020 schrijft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] ‘5 kl afgegeven [naam 10] ’. In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘7/6’ in de kolom onder ‘ [naam 10] ’
- Op 26 juli 2020 checkt [account 10] bij [medeverdachte 2] of die van [naam 2] morgen staat, want ‘moet even busje regelen dan’. Kort daarna zegt [account 10] ‘ok dan ga ik met hem tijd regelen’ en ‘en driver’. [medeverdachte 2] bericht ondertussen aan [medeverdachte 1] dat hij eindelijk verkoop heeft, [naam 2] 120kg en vraagt of dat morgen lukt. [medeverdachte 1] bevestigt dit met ‘siiiiii’. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 2] of het goed is dat hij [naam 12] contact laat maken met [naam 1] . Vervolgens zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] ‘yo morgen 120 [naam 1] ok?’ en hij vraagt of [medeverdachte 3] contact met hem opneemt. [medeverdachte 3] meldt later dat hij contact met [naam 1] heeft gehad en later een tijd doorkrijgt. [medeverdachte 1] geeft aan [medeverdachte 2] door ‘afspraak staat’. Op 27 juli 2020 geeft [account 10] aan bij [medeverdachte 3] dat hij er ongeveer 9.07 is. [medeverdachte 3] geeft aan [medeverdachte 1] aan ‘120 st afgegeven [naam 1] ’ en [account 10] meldt [medeverdachte 2] ‘ [naam 2] is ok’. Tot slot geeft [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] aan ‘ [naam 1] done’. In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘26/7’ in de kolom onder ‘ [naam 1] ’
- Op 4 september 2020 vraagt [account 14] aan [medeverdachte 2] ‘He is partner in keta with u?’ waarop [medeverdachte 2] reageert met ‘Yeah. He is mij full partner’. De rechtbank gaat er – in lijn met het dossier – van uit dat de ‘he’ waarover gesproken wordt, [medeverdachte 1] betreft. [naam 5] / [naam 6] Op 17 juni 2020 stuurt [medeverdachte 3] in een gesprek met [medeverdachte 1] om 9:02 uur ‘Rij nu richting [naam 5] ’ en om 10:40 uur ‘145 at retour [naam 5] staan weer in het magazijn’. In gesprek met [account 15] omschrijft [medeverdachte 2] ‘ [naam 5] ’ als ‘one of our sellers’. In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘17/6’ in de kolom onder ‘ [naam 5] ’ (retour +145). De gegevens van een baken onder een Opel Combo met kenteken [kenteken] , op naam van het bedrijf [bedrijf 1] en in gebruik bij [medeverdachte 3], laten zien dat het voertuig op 17 juni 2020 tussen 9:41 uur en 9:53 uur aanstraalde op de [straatnaam] in Wormerveer. Op de [adres 7] in Wormerveer zijn onder andere bedrijven gevestigd waarvan verdachte (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder is. De eerste stop van het baken van meer dan een minuut na de stop in Wormerveer is op het adres [adres 8] in Almere, in de directe omgeving van [adres 5] . Verdachte maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Dit telefoonnummer staat in de telefoon van [medeverdachte 1] opgeslagen als ‘ [naam 6] ’. De chatgeschiedenis laat zien dat [medeverdachte 1] en verdachte regelmatig contact hebben. In een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [persoon] geeft [medeverdachte 1] aan dat [persoon] bij een bestelling moet zetten ‘hallo [naam 7] ik ben het [persoon] van [naam 5] ’. Op 26 augustus 2026 is door een observatieteam gezien dat verdachte kort na [medeverdachte 1] arriveerde op het adres [adres 2] in Driemond. Kort na het vertrek van verdachte vertrok ook [medeverdachte 3] uit de woning. Het Sky-account [account 16] heeft als gebruikersnaam [naam 6] en was actief tot 31 augustus
- Op 15 augustus 2020 schrijft [account 16] ‘ja ben jarig morgen maar wordt 49’. Verdachte is geboren op [geboortedag 1]
- Vanaf 30 augustus 2020 is het Sky-account [account 17] , met gebruikersnaam [naam 6] new, actief. Op 7 juni 2020 vraagt [account 16] of het Sky-account [account 19] van [naam 8] verlengt kan worden. Op 24 september 2020 zegt [account 17] of iemand [account 17] ’s broer kan ‘texen’ en geeft [account 19] door. De broer van verdachte heet [broer van verdachte] . Een van de zonen van verdachte heet [persoon] . Op 29 juli 2020 bericht [account 16] aan [account 7] dat hij een sample heeft en dat het gewoon goeie van ‘ [naam 11] ’ is. [persoon] heeft in een verhoor in 2021 in een ander onderzoek verklaard dat dit gesprek over ketamine ging. Later in dit verhoor heeft verdachte in het algemeen erkend dat hij zich heeft bezig gehouden met de handel in ketamine. [account 7] zegt op 28 augustus 2020 tegen [medeverdachte 2] dat ze gisteren een inval hadden bij [naam 11] en op de vraag wie [naam 11] is antwoordt [account 7] ‘Driemond’. [medeverdachte 1] is op 27 augustus 2020 aangehouden in zijn woning aan de [adres 2] in Amsterdam (Driemond), tevens het adres van [medeverdachte 1] en zijn café [bedrijf 2] . In het onderzoek is gekeken of er bedrijven en/of instanties zijn met een API-registratie met betrekking tot ketamine die te linken en/of te koppelen zijn aan verdachte en/of de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , maar die zijn er niet. 4.4.
- Overwegingen De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank neemt de bij [medeverdachte 3] aangetroffen notitie als uitgangspunt voor wat er aan ketaminehandel heeft plaatsgevonden. De betekenis van de notitie wordt bevestigd door de aangetroffen 185 kilogram ketamine en de cryptogesprekken die onder andere [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gevoerd. Gelet daarop kan de rechtbank aan de hand van de notitie het volgende vaststellen. De notitie heeft betrekking op een partij ketamine van aanvankelijk 1125 kilogram. In de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 augustus 2020 hebben leveringen plaatsgevonden aan vier (groepen) afnemers, aangeduid met de bijnamen: [naam 5] , [naam 1] , [naam 9] en [naam 10] . Na 17 augustus 2020 resteerde nog een partij van 185 kilogram ketamine, wat overeenkomt met de bij de vader van [medeverdachte 3] aangetroffen partij ketamine. Van de voorraad ketamine is dus in totaal (netto) 940 kilogram afgeleverd. In het bijzonder is op 18 maart 2020 een partij van 150 kilogram geleverd aan ‘ [naam 5] ’ en op 17 juni 2020 is een partij van 145 kilogram (retour)geleverd door [naam 5] . De rechtbank leidt uit de weergegeven feiten en omstandigheden af dat verdachte degene is die met [naam 5] wordt bedoeld en dat hij dus degene is die de ketamine geleverd heeft gekregen. In de eerste plaats is van belang dat [medeverdachte 1] naar verdachte verwijst als ‘ [naam 5] ’. [naam 5] klinkt als [naam 6] en onder die naam staat het telefoonnummer van verdachte bij [medeverdachte 1] in zijn telefoon opgeslagen. Verdachte en [medeverdachte 1] kennen elkaar en zijn gelijktijdig met [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] geweest. Verdachte heeft in een ander onderzoek in het algemeen erkend dat hij in ketamine heeft gehandeld. In dat verband is ook van belang dat de rechtbank uit de bewijsmiddelen afleidt dat verdachte de gebruiker is geweest van de Sky-accounts [account 16] en [account 17] en dat daaruit volgt dat hij gesprekken heeft gevoerd over ketamine(handel) en dat hij beschikte over een ketaminesample van ‘ [naam 11] ’. Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat met ‘ [naam 11] ’ [medeverdachte 1] is bedoeld. Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank het door de verdediging geschetste scenario dat de ketamine buiten medeweten van verdachte om was opgeslagen in een opslagbox bij het bedrijf van verdachte als onaannemelijk. Dit past in het bijzonder niet goed bij de vaststellingen dat verdachte in die periode zelf sprak over ketamine, dat hij (intensieve) contacten onderhoudt met medeverdachte [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] ‘ [naam 5] ’ als een ‘seller’ kwalificeert. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte de feiten als medepleger heeft begaan. Ook daarvoor is van belang dat verdachte – als [naam 5] – als een van de verkopers wordt gekwalificeerd. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte onderdeel is van de groep betrokkenen en nauw en bewust met hen samenwerkt. De rechtbank acht tot slot bewezen dat verdachte door het in voorraad hebben van 150 kilogram ketamine een groothandel in ketamine heeft gedreven. De omvang van de partij is zodanig groot dat het niet anders kan dan dat deze nog in deelpartijen zou moeten worden doorverkocht voordat deze bij de gebruiker terecht komt, wat valt te kwalificeren als een groothandelsactiviteit. In het verlengde hiervan is de vraag of artikel 38 van de Geneesmiddelenwet zich alleen tot de groothandelaar en de fabrikant richt of tot eenieder niet aan de orde, omdat de bepaling zich in elk geval tot verdachte als groothandelaar richt. Tekst 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.4 weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten 150 kilogram ketamine(hydrochloride), in voorraad heeft gehad en zonder registratie een werkzame stof, te weten 145 kilogram ketamine(hydrochloride), heeft afgeleverd en/of heeft laten afleveren en zonder registratie in een werkzame stof, te weten ketamine(hydrochloride), een groothandel heeft gedreven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. 8.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen en te volstaan met een taakstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een geldboete. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang. Verdachte heeft gedurende drie maanden zonder de vereiste registratie een groothandel in ketamine gedreven en in dat kader 150 kilogram ketamine in voorraad gehad. Na drie maanden is hiervan 145 kilogram (terug)geleverd aan de eerdere verstrekkers. Het lijkt erop dat de rol van verdachte was om de ketamine verder door te verkopen. Gelet op de omvang van de partij ketamine kan niet worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende omstandigheden. Hoewel de strafbaarstelling van ketamine geregeld wordt via de Geneesmiddelenwet, is het bekend dat ketamine populair is als partydrug. De rechtbank leidt uit de manier waarop in de ketamine werd gehandeld af dat verdachte gericht was op de markt voor partydrugs, en niet op de geneesmiddelenmarkt. In die zin bestaat er bij ketaminehandel aanleiding om aansluiting te zoeken bij straffen voor harddrugs. Tegelijkertijd is de rechtbank het met de raadsvrouw eens dat er de afgelopen periode sprake is van een opwaartse ontwikkeling in de straffen die voor ketaminefeiten worden opgelegd. Als de strafzaak kort na het einde van de pleegperiode zou zijn berecht, zou vermoedelijk sprake zijn geweest van een lagere strafeis. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte enigszins rekening met de straffen die in de beginjaren ’20 voor illegale ketaminehandel werden opgelegd. Volgens de raadsvrouw is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet dat anders. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in de zaak van verdachte is aangevangen op 7 februari 2024, de dag waarop het Openbaar Ministerie de concept tenlastelegging aan de toenmalige raadsman van verdachte heeft gestuurd met het verzoek eventuele onderzoekswensen in te dienen. Dit betekent dat, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, op 7 februari 2026 vonnis had moeten worden gewezen. Er is sprake van een termijnoverschrijding van 13 dagen. De rechtbank ziet in deze beperkte overschrijding geen aanleiding tot strafvermindering. Vanwege het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het feit en gelet op het feit dat verdachte de afgelopen jaren niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om boven op het onvoorwaardelijke strafdeel niet nog een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, hetgeen zij anders wel zou hebben gedaan. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Dekkers, voorzitter, mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari
- [(...)] ECLI:NL:PHR:2006:AY8322, randnummers 7 en 8 (ECLI:NL:HR:2006:AY8322: 81 RO) en ECLI:NL:PHR:2023:818, randnummers 16 en 17 (ECLI:NL:HR:2023:1267: 81 RO). Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften. AMB-065, p.
- DOC-268, p.
- V-01-01, p.
- DOC-175, p.
- AMB-065, p.
- AMB-064, p.
- AMB-064, p.
- AMB-064, p.
- AMB-064, p. 1635-
- AMB-064, p. 1636-
- AMB-064, p.
- AMB-048, p.
- AMB-048, p. 1271-
- AMB-054, p.
- AMB-083, p.
- AMB-083, p.
- IBN-001-04-01, p. 2907, 2910 en
- AMB-023, p. 1064-1070, en AMB-023a, p. 1071-1073 (een rapport). IBN-001-02-01, p. 2885 en 2889 en DOC-069, p.
- DOC-132c, p. 4680-
- DOC-132a, p.
- DOC-267, p.
- DOC-132c, p. 4688-
- AMB-082a, p.
- AMB-082a, p.
- DOC-267, p.
- ZD-002-01, p.
- AMB-056, p. 1390-
- AMB-094, p.
- DOC-251, p.
- DOC-277, blad 1 (losbladig). DOC-277 (losbladig). DOC-281, blad 3 (losbladig). OBS-012, p. 2767-
- DOC-282, blad 2 (een proces-verbaal, losbladig). DOC-282, blad 6 (een proces-verbaal, losbladig). DOC-282, blad 2 (een proces-verbaal, losbladig). DOC-282, blad 6 (een proces-verbaal, losbladig). DOC-282, blad 5 (een proces-verbaal, losbladig). DOC-251, p. 4919-
- DOC-251, p.
- AMB-096, p.
- VD-001-02, p.
- DOC-015, p.
- AMB-101 (losbladig).