← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:1922

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-299647-25 Datum uitspraak: 4 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2022 door Okresný súd Galanta (District Court of Galanta), Slowakije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting van 20 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een (telefonische) tolk in de Slowaakse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 22 januari 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de reeds gestelde vragen ten aanzien van de toetsing aan artikel 12 OLW af te wachten. Zitting van 4 februari 2026 De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door haar gemachtigd raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Slowaakse nationaliteit heeft. 3De tussenuitspraak van 22 januari 2026 De rechtbank stelt vast dat bij tussenuitspraak van deze rechtbank op 22 januari 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (paragraaf 3), de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van het vonnis van 22 oktober 2020 met kenmerk 15T/35/2020 (paragraaf 4) en de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Op 30 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord op de reeds gestelde vragen ten aanzien van de toetsing aan artikel 12 OLW. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 30 januari 2026 volgt dat sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub c, OLW. Artikel 12 OLW staat derhalve niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De rechtbank brengt allereerst haar overwegingen uit paragraaf 3.1 van de tussenuitspraak van 22 januari 2026 in herinnering. De rechtbank komt, naar aanleiding van de aanvullende informatie van 30 januari 2026, terug op haar overwegingen met betrekking tot het vonnis van 7 januari 2020 met kenmerk 1T/150/2019. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 30 januari 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een strafbeschikking in persoon is betekend, waarbij de opgeëiste persoon is geïnformeerd over haar recht op hoger beroep, maar de opgeëiste persoon daarvan geen gebruik heeft gemaakt en blijkens de genoemde informatie is er geen rechtsmiddel aangewend. De rechtbank is daarom met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Okresný súd Galanta (District Court of Galanta), Slowakije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG413124224491DÈ G413124224491 ECLI:NL:RBAMS:2026:588.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.