← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:1923

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-303148-25 Datum uitspraak: 4 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2025 door the District Court of Zamość, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting van 15 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 20 januari 2026 Bij tussenuitspraak van 20 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen ten aanzien van de toetsing aan artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting van 4 februari 2026 De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede, die waarneemt voor mr. R.F.M. Gerritsen, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 20 januari 2026 De rechtbank stelt vast dat bij tussenuitspraak van deze rechtbank op 20 januari 2026 de rechtbank reeds heeft geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4) en over de toetsing aan artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 3.1 van de tussenuitspraak van 20 januari

  1. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 20 januari 2026 heeft de Regional Court van Zamość bij brief van 26 januari 2026 informatie verstrekt afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit, de Sąd Rejonowy [District Court] in Hrubieszów. Daarin staat onder meer het volgende vermeld: “In the proceedings conducted under reference number RSD-528/24, 4185-0.Ds 1138.2024 concerning offence II, [opgeëiste persoon] was detained on 8 July
  2. On 9 July 2024 she was presented with charges and interrogated as a suspect; she was also instructed on her obligation to appear at every summons and to notify the authorities of any change of residence or place of stay lasting longer than 7 days, including contact details, under penalty of detention and compulsory escort, as well as well as the legal effect of deeming the service of the document effective when delivered to the address indicated for service within the country. The interrogation report, signed personally by [opgeëiste persoon], indicated lack of a permanent address and the place of her residence/longer stay at the address [adres 1]. [..] According to the report of 9 July 2024 during the interrogation [opgeëiste persoon] stated that she had no permanent address and provided the address of her place of residence/long-term stay as [adres 1]. The report was signed by [opgeëiste persoon] in person. [..] Yes, before [opgeëiste persoon] was interrogated as a suspect she had been charged with offence II on 9 July
  3. At that time, she was informed of her rights and obligations, including the obligation to provide her address of residence for service in the country, which she indicated as [adres 1], She was also instructed of the consequences of changing the address, i.e. she was informed that in the event of her failure to indicate another address of residence or stay lasting more than 7 days, the delivery of correspondence to the provided address is deemed effective. The decision to present the charges and the instruction were signed by [opgeëiste persoon] in person. […] Yes, when she was charged with offence I and interrogated as a suspect on 30 June 2024 and when she was charged with offence II and interrogated as the suspect on 9 July 2024, [opgeëiste persoon] indicated the same address of residence/long-term stay, i.e. [adres 1]. […] Yes, the arrest report of 8 July 2024, includes the address [adres 2]. However, subsequent operational activities undertaken on 9 July 2024 in the presence of [opgeëiste persoon] revealed the address [adres 1]. The summons to the hearing was not delivered to the address [adres 2], but only to the address [adres 1], where, incidentally, the court correspondence was served on an adult member of the household. The summons to the hearing on 14 October 2024, at which the court proceedings were closed and a judgement was issued in the case, was returned to the Court with a note of two unsuccessful service attempts and was, consequently, considered to have been effectively delivered to [opgeëiste persoon].” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De oproep voor de zitting is verstuurd naar het adres [adres 1], terwijl de opgeëiste persoon stelt en ter zitting uiteen heeft gezet dat zij tijdens de verhoren het adres [adres 2] heeft opgegeven bij de Poolse autoriteiten. Doordat de oproep enkel naar het adres [adres 1] is verstuurd, zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon geschonden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Hoewel het vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW, genoemde omstandigheden voordoet, kan de rechtbank afzien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is voor beide feiten verhoord en daarbij is in beide verhoren een adresinstructie gegeven. De opgeëiste persoon heeft toen het adres opgegeven waar de oproep voor de zitting naartoe is verstuurd. De enkele stelling dat zij een ander adres heeft opgegeven doet hier niet aan af. Oordeel van de rechtbank Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak reeds heeft overwogen strekt het EAB tot de tenuitvoerlegging van een vonnis zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW, genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Hiervoor is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 2 december 2025 en 26 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op 30 juni 2024 en 9 juli 2024 is verhoord voor respectievelijk feit één en twee. In beide verhoren heeft de persoon een adresinstructie ontvangen met de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructies getekend. Tijdens beide verhoren heeft de opgeëiste persoon het adres [adres 1] opgegeven. De oproep voor de zitting is vervolgens verstuurd naar dat adres en aan een volwassen huisgenoot uitgereikt. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat zij het adres [adres 2] had doorgegeven doet hier niet aan af. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen haar op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht op in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met de betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Zamość, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny), Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:1135.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.