← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:2226

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-393260-24 Datum uitspraak: 25 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2025 door the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Rome, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna "de opgeëiste persoon". 1Procesgang Zitting 26 november 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 november 2025 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak 10 december 2025 Bij tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Division van 22 september 2023 op te vragen, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Italië opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met nog eens met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 11 februari 2026 De voorzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 december 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW (onder 3.1) en de (dubbele) strafbaarheid (onder 4). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 10 december 2025 (onder 5) die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Standpunten van de raadsman en de officier van justitie Volgens de raadsman en de officier van justitie kan de overlevering op grond van artikel 6a OLW worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf, omdat het vereiste certificaat en het onderliggende vonnis inmiddels zijn ontvangen. Oordeel van de rechtbank In overeenstemming met het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat van 14 januari 2026 zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende arrest van 22 september 2023 van het gerechtshof van the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Division toegezonden. Dit betekent dat de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. 5Verzoek om schorsing van het bevel gevangenhouding vanaf de uitspraak Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht om – indien de overlevering wordt geweigerd onder gelijktijdige strafovername – het bevel tot gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf te schorsen vanwege de bijzondere omstandigheid dat de opgeëiste persoon direct na de uitspraak van de rechtbank over het overleveringsverzoek een gratieverzoek wil indienen. Uit onderdeel L) van het certificaat blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië voor huisarrest in aanmerking had kunnen komen, indien hij hiermee binnen 30 dagen na het arrest had ingestemd. Nu hij dit niet heeft gedaan moet de opgeëiste persoon in Nederland de volledige gevangenisstraf uitzitten. Het verschil in strafmodaliteit is zo groot dat een gratieverzoek kansrijk is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzet zich tegen schorsing van de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf omdat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid. Uit onderdeel F) van het certificaat volgt ook dat de uitvaardigende justitiële autoriteit wil dat de opgeëiste persoon de gevangenisstraf gaat uitzitten. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevelen tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de raadsman voornemens is om namens de opgeëiste persoon een gratieverzoek in te dienen geen reden om het schorsingsverzoek toe te wijzen. Een dergelijke schorsing is slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 141 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Rome, Italië. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 december 2025 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten een vrijheidsstraf van drie jaren en acht maanden. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 10 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10067. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EUR:C:2025:665 (C.J.).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.