RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/764148 / HA ZA 25-291 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van [eiser] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. F.T. Zoutberg, tegen 1 [gedaagde 1] , wonend in [woonplaats] , niet verschenen, hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
- [gedaagde 2] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 2] , advocaat: mr. M.A.J. Kemps, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken,- de akte van [gedaagde 2] van 5 november 2025, met productie 1,- de antwoordakte van [eiser] van 3 december
- 1.
- Hierna is opnieuw vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling De bewijsopdracht 2.
- Bij tussenvonnis is [gedaagde 2] opgedragen te bewijzen dat zij op 20 november 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [gedaagde 2] één document, te weten een kopie van een op naam van [gedaagde 2] gestelde “Service Faktuur” van [bedrijf] met als datum 4 mei 2021 ingediend. Op deze factuur is het volgende vermeld: 2.
- Volgens [gedaagde 2] blijkt uit deze factuur dat [bedrijf] (de eigenaar van de CTP-machine) op 20 november 2020 is begonnen met de demontage van de CTP-machine. Dit toont aan dat [gedaagde 2] de CTP-machine vanaf die datum niet meer heeft gebruikt, aldus [gedaagde 2] . 2.
- [eiser] betwist de echtheid van de factuur, vindt het opvallend dat deze nu pas wordt overgelegd en stelt zich op het standpunt dat met de factuur niet bewezen is dat het gebruik van de CTP-machine eerder is gestopt dan 31 december
- De bewijswaardering 2.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 2] niet is geslaagd in het bewijs. Niet bewezen is dat [gedaagde 2] eerder dan 31 december 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. Daartoe is het volgende redengevend. 2.
- Op de mondelinge behandeling is door de advocaat van [gedaagde 2] gesteld dat het bewijs van het gestaakt zijn van het gebruik van de CTP-machine op 20 november 2020 kan worden geleverd door [gedaagde 1] en werknemers van [bedrijf] te horen als getuigen. In het kader van de mogelijkheid tot bewijslevering heeft [gedaagde 2] echter noch [gedaagde 1] noch werknemers van [bedrijf] als getuige(n) laten horen. Van [gedaagde 1] en de werknemers van [bedrijf] is ook anderszins geen (schriftelijke) verklaring beschikbaar, terwijl zij bij uitstek degene zijn die iets zouden kunnen verklaren over wanneer het gebruik van de CTP-machine is gestopt. Bovendien was [gedaagde 1] , hoewel hij bestuurder is van [gedaagde 2] , ook niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling. Op die zitting heeft [gedaagde 2] zich uitsluitend laten vertegenwoordigen door haar advocaat. Een verklaring van [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling ontbreekt dus eveneens. 2.
- Verder is onduidelijk hoe de inhoud van de factuur zich verhoudt tot de namens [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. De advocaat van [gedaagde 2] heeft tijdens die zitting verklaard dat de oude CTP-machine in [locatie] is gedemonteerd en opgehaald, terwijl de nieuwe machine in [vestigingsplaats 2] is geïnstalleerd. Uit de overgelegde factuur blijkt echter niet op welke locatie de demontage en installatie hebben plaatsgevonden. Op de factuur wordt bovendien slechts eenmaal voorrijdkosten in rekening gebracht. Dit strookt niet met de verklaring ter zitting dat de werkzaamheden op twee verschillende locaties zouden zijn verricht. 2.
- Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de enkele overlegging van de factuur door [gedaagde 2] , zonder bijkomende bewijsmiddelen, onvoldoende om aan de bewijsopdracht te voldoen. De rechtbank acht op basis van alleen die factuur dus niet bewezen dat het gebruik door [gedaagde 2] van de CTP-machine eerder is gestopt dan 31 december
- Hierdoor is er geen grond voor vermindering van de overeengekomen gebruiksvergoeding voor de CTP-machine. [gedaagden] moeten € 28.335,83 met contractuele rente betalen 2.
- Zoals in het tussenvonnis is bepaald, betekent dit dat betaling van het bedrag van € 28.335,83, vermeerderd met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 1 januari 2025, wordt toegewezen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag. Buitengerechtelijke incassokosten 2.
- [eiser] vordert € 1.088,36 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het tussenvonnis is vastgesteld dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Het in hoofdsom toewijsbare bedrag van € 28.335,83 levert volgens de staffel in het Besluit een vergoeding op van € 1.058,36 aan buitengerechtelijke kosten, zodat dit lagere bedrag zal worden toegewezen. Over de buitengerechtelijke kosten is de contractuele rente niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen. Proceskosten 2.
- [gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,21 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.965,00 (2,5 punt × € 786,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.258,21 3De beslissing De rechtbank 3.
- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 28.335,83, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2025, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.058,36 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.258,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.