Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:2706
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummers: AMS 25/2265 (beroep) en AMS 26/304 (voorlopige voorziening) uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen Jiliben B.V., te Amsterdam, eiseres (gemachtigden: [persoon ] (beroep) en mr. J.N.B. Diekerhof (voorlopige voorziening)), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. Smit).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de exploitatie van de buitenschoolse opvang WOW BSO (BSO). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop 2.1.
Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend op grond van artikel 1.45 van de Wet Kinderopvang (Wko) voor de exploitatie van WOW BSO. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Op 2 maart 2026 heeft in het bijzijn van partijen een onderzoek ter plaatse (descente) naar de vaste buitenspeelruimten van de BSO plaatsgevonden. Aansluitend heeft de rechtbank die dag het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] namens eiseres, de gemachtigde Diekerhof van eiseres, de gemachtigde van verweerder, [persoon 3] en [persoon 4] namens de GGD.
2.5.
Partijen hebben op de zitting verzocht om uitspraak te doen in de bodemzaak. De rechtbank beslist daarom ook op het beroep van eiseres.
Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend op grond van artikel 1.45 van de Wko voor de exploitatie van WOW BSO. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de toezichthouder kinderopvang, GGD Amsterdam, WOW BSO op 2 augustus 2024 bezocht om te onderzoeken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen gesteld bij of krachtens de Wko. De GGD heeft zijn bevindingen eerst vastgelegd in een ontwerpinspectierapport en na de zienswijze van eiseres in het inspectierapport van 29 augustus 2024. Vervolgens heeft verweerder een voornemen uitgebracht. Naar aanleiding van de zienswijze van eiseres tegen dit voornemen is op 23 september 2024 een nader onderzoek uitgevoerd door de GGD, waarvan een aanvullend inspectierapport is opgesteld. In haar inspectierapporten heeft de GGD geadviseerd om de aanvraag van eiseres af te wijzen omdat er te veel belemmeringen zijn voor de kinderen om buiten te kunnen spelen. De in de aanvraag genoemde buitenspeelruimtes zijn niet in de directe nabijheid en zijn onvoldoende toegankelijk en veilig bereikbaar. Verweerder heeft zich met het besluit van 9 oktober 2024 aangesloten bij het oordeel van de GGD en heeft de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 is verweerder bij dit besluit gebleven.
Beoordeling door de rechtbank 4. Tijdens de descente is vanuit de BSO naar de buitenspeelruimten gewandeld. De rechtbank heeft daarbij het volgende geconstateerd. De buitenspeelruimte aan de [adres 1] ligt op ongeveer 200 meter afstand van de BSO. Om de buitenspeelruimte te bereiken moeten de kinderen de [adres 2] oversteken. Er zijn twee oversteekpunten (zebrapad) die beiden bestaan uit een fietspad, autoweg en trambaan. Tussen de twee oversteekpunten ligt een grasstrook. Nabij de buitenspeelruimte is een wc aanwezig waar de kinderen gebruik van zouden kunnen maken. Ten aanzien van de buitenspeelruimte aan de [adres 4] heeft de rechtbank geconstateerd dat deze op ongeveer 350 meter afstand van de BSO ligt. Om de buitenspeelruimte te bereiken moeten de kinderen twee keer oversteken: een keer in de [adres 3] en een keer in de [adres 4] . Er is in de nabijheid van de buitenspeelruimte geen wc aanwezig waar de kinderen gebruik van zouden kunnen maken.
Er moet een fietspad, weg en trambaan overgestoken worden, waarbij het verkeer van één kant komt om op de groenstrook te komen. Vervolgens moet er nogmaals een trambaan, weg en fietspad overgestoken worden waar het verkeer van de andere kant komt. Dit acht de rechtbank, met verweerder en de GGD, niet veilig waardoor de buitenspeelruimte niet toegankelijk is voor kinderen. De buitenspeelruimte aan de [adres 4] is niet in de directe nabijheid van de BSO. De afstand van de BSO is op ongeveer 350 meter lopen waarbij de kinderen twee keer moeten oversteken en er zijn geen sanitaire voorzieningen beschikbaar nabij de buitenspeelruimte. Dit maakt de buitenspeelruimte aan de [adres 4] tevens niet toegankelijk.
Daarnaast is het voor de organisatie van het buiten spelen nodig dat beroepskrachten meegaan. Dit heeft gezien de omvang van de buitenschoolse opvang tot gevolg dat buiten spelen alleen mogelijk is als de hele groep meegaat. Er kan niet worden gekozen om de groep te splitsen, omdat hiervoor onvoldoende personeel beschikbaar is. Daardoor kan onvoldoende worden aangesloten bij de behoeftes van de kinderen als bijvoorbeeld een deel van de kinderen binnen wil spelen en een ander deel naar buiten wil. De buitenspeelruimtes zijn geschikt voor incidentele groepsgebonden activiteiten en uitstapjes, maar niet als passende vaste buitenspeelruimte omdat hiervoor te veel belemmeringen bestaan om buiten te spelen.
Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechtbank, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026. griffier rechtbank Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Op grond van artikel 1.50, tweede lid, van de Wet kinderopvang.
Zie de artikelen 1.61, tweede lid en 1.62, eerste lid van de Wet kinderopvang.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2541, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1124.