Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:2745
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/1191 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen mr. C.M.D. de Waele, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarigen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. S. Lensink).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van het college om het huwelijk tussen mevrouw [persoon 1] (moeder) en de heer [persoon 2] (biologische vader) in te schrijven in de Basisregistratie personen (BRP).
1.1.
Het college heeft met het besluit van 14 november 2025 het huwelijk uit 2011 ingeschreven in de BRP. De moeder van verzoekers heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 is het college bij de registratie van het huwelijk gebleven.
1.2.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer: AMS 26/1193) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist.
1.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Verzoekers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de bijzondere curator namens verzoekers en de gemachtigde van het college.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Hoe dit allemaal precies zit is voor de voorzieningenrechter op dit moment niet duidelijk. Wel voldoende aannemelijk is geworden dat de biologisch vader de BRP-inschrijving kan gebruiken, en ook lijkt te gebruiken, om instanties te benaderen om informatie over verzoekers te verkrijgen. De bijzondere curator is door de rechtbank Amsterdam benoemd om de belangen van verzoekers te behartigen in deze complexe situatie. De bijzondere curator stelt dat het niet in het belang van de kinderen is dat de vader van verzoekers contact met hen heeft of informatie over hen kan opvragen. Hierover heeft de bijzondere curator ook reeds een rapportage opgemaakt en ingediend in de familierechtelijke procedure.
In dat kader, en ook om aan de belangen van de kinderen tegemoet te komen, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen die inhoudt dat de beslissing op bezwaar wordt opgeschort, wat feitelijk betekent dat de registratie van het huwelijk tussen de moeder en de biologische vader van verzoekers ongedaan gemaakt wordt tot zes weken nadat op het beroep is beslist.
Conclusie en gevolgen 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit en het primaire besluit van 14 november 2025 zijn geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst krijgen verzoekers een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de bijzondere curator krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De bijzondere curator heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-.
7.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026 door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In de zin van artikel 8:86 van de Awb.
Beschikking van 18 juni 2025 van de rechtbank Amsterdam, zaaknummer: C/l 3/766250/ FA RK 25-1991 (en C/l 3/765628/ FA RK 25/1 668).