RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11818659 \ CV EXPL 25-10260 Vonnis van 13 januari 2026 in de zaak van Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V., gevestigd te Maastricht, eisende partij, gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Bij dagvaarding van 28 juli 2025, met producties, heeft eisende partij een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij. 1.
- Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen gedaagde partij verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Eisende partij vordert dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 64,00 aan tarief verloren kaart, € 382,41 aan schadevergoeding en € 66,96 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Met het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde partij staat, is op 25 maart 2025 treintje gereden en daarmee is in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gedaagde partij is op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en het tarief verloren kaart verschuldigd. 2.
- De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die eisende partij lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus eisende partij. 2.
- Voor zover de overeenkomst is gesloten met gedaagde partij in de hoedanigheid van consument stelt de kantonrechter vast dat de overeenkomst tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte en dat eisende partij voldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW. Verder zijn de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294). 2.
- Uitgangspunt is dat de vordering in verstek wordt toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde schadevergoeding komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het bedrag van € 382,41 toewijsbaar is, evenals de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de gedraging. 2.
- Eisende partij vordert verder het tarief verloren kaart ad € 64,00, waarbij zij verwijst naar artikel 5.5 van de algemene voorwaarden. In dit artikel staat dat ‘de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd’ is. Uit de door eisende partij overgelegde stukken blijkt echter niet dat dit ‘tarief verloren kaart’ vermeld staat bij de inrit van de parkeerfaciliteit. Wat wel uit de stukken blijkt, is dat het maximale dagtarief voor de parkeergarage lager ligt dan het bedrag dat eisende partij vordert. Gelet op het voorgaande komt dit deel van de vordering de kantonrechter ongegrond voor en wordt dit deel afgewezen. 2.
- Eisende partij vordert buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 57,36 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat eisende partij niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. 2.
- Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 82,00 (1 punt × € 82,00) - nakosten € 41,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 583,78
- De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 382,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 maart 2025 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van €57,36 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 28 juli 2025, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 583,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari
- 57327