Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:2910
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2173 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen Graniet Import Benelux B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigden: mrs. H.A.J.M. van Kaam en J.R. van Dorp), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister (gemachtigde: mrs. L.S.N. van der Pas-Geerlings en E. van der Pennen).
Procesverloop 1. Eiseres heeft op 22 augustus 2023 een Woo-verzoek ingediend. De minister heeft met het besluit van 6 augustus 2024 (het primaire besluit) de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. Met het besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en aanvullend informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van de minister. Daarnaast waren aanwezig [persoon 1] , namens eiseres en mr. [persoon 2] van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
1.3.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met de zaak AMS 24/5274. Die zaak ziet op een Woo-verzoek van eiseres met betrekking tot hetzelfde onderwerp bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). De rechtbank doet in die zaak een afzonderlijke uitspraak.
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. De rechtbank heeft ook die termijn niet gehaald en partijen vervolgens laten weten uiterlijk 14 april 2026 uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank De achtergrond van het Woo-verzoek 2. Eiseres is gevestigd in het [plaats] havengebied en produceert granuliet. Daartoe importeert en verwerkt zij hoogwaardig(e) zand en steenslag ten behoeve van de bouw en infrastructuur; zoals voor (spoor)wegenbouw, dijkverstevigingen, landophogingen en de beton-, keramische- en kalksteenindustrie. De productie vindt plaats door gebroken stukken graniet en gemetamorfoseerd zandsteen te breken, zeven en wassen tot verschillende fracties. De fijnste fracties van dit proces worden uit het waswater geperst en vormen zo granuliet. Om het bezinkingsproces in het waswater te versnellen wordt een flocculant toegevoegd. Het betreft in dit geval een anionische polyacrylamide die onder meer wordt gebruikt bij het bezinken van gebroken steen en grind.
2.1.
Granuliet wordt ook ingezet bij het verondiepen van natuurplassen. Na publicaties van het tv-programma Zembla in 2020 is deze toepassing van granuliet onderwerp van discussie, omdat daarbij mogelijk schadelijke stoffen worden gevormd.
2.2.
Op de website ‘Signalen leefomgeving’ is een artikel opgenomen met de titel ‘Veilig hergebruik van grond-, bouw- en reststoffen’ (het artikel). Het artikel bevat passages over de stof granuliet waarbij een verband wordt gelegd tussen granuliet en het mogelijk vrijkomen van acrylamide. Het artikel vermeldt ook een literatuuronderzoek door het RIVM en Deltares in opdracht van de minister van I&W naar de afbraak van polyacrylamide en mogelijke vorming van acrylamide in diepe plassen (het literatuuronderzoek). Op 2 mei 2023 besteedde Zembla vervolgens opnieuw een uitzending aan het granulietdossier.
2.3.
Eiseres heeft met het Woo-verzoek verzocht om openbaarmaking van alle informatie die bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) berust, waaronder het zelfstandig onderdeel van VWS, het RIVM, over (de totstandkoming van) het signaal over granuliet, de opdrachtverlening tot en de uitvoering van het literatuuronderzoek, de totstandkoming van het literatuuronderzoek en de wijze waarop het literatuuronderzoek heeft geleid tot aanpassing van het artikel. Het verzoek bestrijkt de periode vanaf 7 november 2020 tot en met de dag van het Woo-verzoek.
De bestreden besluitvorming 3. Met het primaire besluit heeft de minister de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt en daarbij toepassing gegeven aan verschillende weigeringsgronden uit de Woo. De aangetroffen documenten zijn op een inventarislijst opgenomen. Openbaarmaking van persoonsgegevens die tot een persoon te herleiden zijn, zoals naam, e-mailadres en telefoonnummers zijn niet openbaar gemaakt in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast zijn een aantal concepten niet openbaar gemaakt ter bescherming van het belang van het goed functioneren van de Staat en/of omdat sprake was van persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaarschrift van eiseres gegrond verklaard en aanvullend veertien documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt, die na een aanvullende zoekslag zijn aangetroffen. De minister heeft de inventarislijst daarop aangepast. Verder is de minister gebleven bij de toepassing van de weigeringsgronden uit de Woo.
Het standpunt van eiseres in beroep 4. Eiseres voert in beroep aan dat de minister de zoekslag onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat de zoekslag onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Volgens eiseres ontbreken er nog altijd documenten. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister de weigeringsgronden uit de Woo onjuist heeft toegepast en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat sprake is van milieu-informatie.
Heeft de minister de zoekslag zorgvuldig uitgevoerd en ontbreken er documenten?
De aangeleverde documenten zijn vervolgens gescreend of deze al dan niet binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vielen, waarbij is gekeken naar het tijdsbestek en de relatie met het dossier polyacrylamide (PAM), acrylamide (AMD) of granuliet. Naast e-mailboxen zijn ook verschillende systemen geraadpleegd. Daarbij zijn als zoektermen gebruikt: “Granuliet / hergebruik / polyacrylamide / PAM / Acrylamide / AMD / diepe plassen / literatuurstudie of literatuurverkenning /flocculant (alleen i.r.t. PAM of AMD) / offerte / namen betrokken medewerkers RIVM, Deltares of ministerie van lenW / nieuwsbericht. Hiermee heeft de minister concreet omschreven hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden, bij welke afdelingen en ambtenaren naar informatie is gezocht, binnen welke systemen en welke zoektermen zijn gebruikt.
Dat bij de zoekslag niet de zoekterm ‘literatuuronderzoek’ is gebruikt – zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd – maakt de zoekslag naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig. Niet is onderbouwd dat wanneer (juist) met die zoekterm zou zijn gezocht er meer documenten zouden zijn aangetroffen dan met de al gebruikte zoektermen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten aangedragen dat er toch meer informatie onder de minister moet berusten.
Heeft de minister openbaarmaking van persoonsgegevens ten onrechte geweigerd ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?
Volgens eiseres is verder in een aantal specifieke gevallen ten onrechte toepassing gegeven aan deze weigeringsgrond. Eiseres stelt zich op het standpunt dat per concreet geval een afweging moet worden gemaakt of de openbaarmaking van de naam van de betrokken ambtenaar ertoe kan leiden dat diens persoonlijke levenssfeer wordt geschaad en of aan die omstandigheid zodanig gewicht moet worden toegekend dat het belang van openbaarheid daarvoor moet wijken. Van een dergelijke afweging is niet gebleken. Daarnaast hadden de namen van verschillende directeurs van het RIVM en het ministerie van I&W, en de namen van deskundigen van Arcadis, Deltares en de Wageningen Universiteit openbaar gemaakt moeten worden. Het gaat in deze gevallen namelijk om personen die vanuit hun functie in de openbaarheid treden. Specifiek voor X. geldt naar mening van eiseres dat hij zelf vanuit zijn functie op dit dossier in de openbaarheid is getreden; niet alleen door zich tegenover Zembla daarover (negatief) uit te laten, maar ook door deel te nemen aan een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer. Volgens eiseres weegt het belang van openbaarheid in dit geval dan ook zwaarder dan het belang op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dat is opgeheven omdat deze persoon zelf in de openbaarheid is getreden.
Heeft de minister openbaarmaking van concepten ten onrechte geweigerd?
Uit de titel van de documenten dan wel de inhoud daarvan blijkt naar het oordeel van de rechtbank immers duidelijk dat sprake is van een concept. Daarbij heeft de minister evenmin gemotiveerd dat de concepten, daar waar deze verschillen van de definitieve, openbaar gemaakte versie daarvan, enkel nog persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De rechtbank heeft in de raadkamer steekproefsgewijs kennisgenomen van de geweigerde concepten en de documenten 2551574, 2552372 en 2552685 bekeken. Het is de rechtbank op het eerste oog niet duidelijk op welke onderdelen de conceptversies verschillen van de definitieve versies en of dit al dan niet persoonlijke beleidsopvattingen of meer feitelijke informatie betreft.
Er is daarmee sprake van een motiveringsgebrek dat de minister met een nieuw besluit zal moeten herstellen. De rechtbank overweegt tot slot dat ook bij betrokkenheid van externe deskundigen sprake kan zijn van intern beraad, mits het document is opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. Dit karakter vervalt indien de externe partij een eigen belang heeft anders dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. De minister moet daarom deugdelijk motiveren dat, ondanks externe betrokkenheid, sprake is van intern beraad. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij openbaarmaking van concepten is geweigerd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing over de openbaarmaking van de aangetroffen concepten te nemen. Dit omdat dit ter beoordeling van de minister is. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
19.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
19.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een verzoek op grond van de Wet open overheid. http://signalenleefomgeving.nl.
Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en het Milieu.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4209, r.o. 5.).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:480, r.o. 4.1).
In strijd met het motiveringsbeginsel ex artikel 3:47 van de Awb en artikel 5.1, derde lid, van de Woo.
Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, r.o. 3.2. En naar een uitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1408, r.o. 10.1.1.
Als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
Eiseres verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023;13119, en een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3112.
Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699, r.o. 5.4.
Eiseres verwijst daarbij naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo, EK 2020/21, 33328, Q, p. 10 en 11.
Het gaat om documenten 2556193, 2551574, 2551607 t/m 2551613, 2551577, 2551578, 2554303, 2551580, 2552372, 2552622 en 2549875.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571, r.o. 14. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2024, Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3497 en de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3375.
Als bedoeld in artikel 5.2, vierde lid, van de Woo.
Zie artikel 5.1, zevende lid, van de Woo.